Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N". 6414.

Vrijdag, 24 November 1893.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADYERTENTIE-BLAD.

vuf-en-vijftigste jaargang.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f <20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n". 124).

WETGEVING.

Voorstel van wet van den heer LEVY, op de homologatie van akkoord buiten faillietverklaring.

VOORSTEL VAN WET.

(Ingediend bij brief aan den Voorzitter der Tweede Kamer dd. 30 Oct. 1893) (1).

In naam van Hare Majesteit WILHELMINA, enz.

Wij EMMA, Koningin-Weduwe, Regentes van het Koninkrijk ;

Allen, enz.

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is in het leven te roepen de homologatie van akkoord buiten faillietverklaring;

Zoo is het, enz.,

Artikel 1. Ieder, die buiten staat is om zijne schulden ten volle te betalen, kan aanspraak maken op het recht van homologatie van akkoord buiten faillietverklaring, met inachtneming der navolgende bepalingen.

Art. 2. Dit recht is afhankelijk van de voorwaarde, dat bij voorraad ten minste de helft der schuldeischers, vertegenwoordigende de helft van het bedrag der niet bevoorrechte, noch door pand of hypotheek gedekte schuldvorderingen, in het akkoord heeft toegestemd.

Art. 3. Dit recht kan alleen worden toegestaan aan hem, die

eene minnelijke schikking heeft getroffen, waarin ten minste eene meerderheid van twee derden van de concurrente schuldeischers, vertegenwoordigende drie vierde gedeelten van de niet bevoorrechte noch door pand of hypotheek gedekte schuldvorderingen, heeft toegestemd.

Art 4. Ten aanzien van de schulden, vermeld in art. 233 sub 1 tot 7 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, kan, behondens de uitzondering in het laatste lid van genoemd artikel, aanspraak op dit recht niet worden gemaakt.

Art. 5. Het verzoekschrift tot verkrijging van homologatie, door den verzoeker onderteekend, wordt ingediend aan de arrondissements-rechtbank van de woonplaats des verzoekers, door een

pf tei'6'aanzien van vennooten onder eene firma, geschiedt die indiening aan de rechtbank, binnen welker gebied het kantoor

der vennootschap is gevestigd.

Het vierde en het laatste lid van art. 2 der wet van 30 Septemher 1893 (SM. no. 140) op het faillissement en de surseance van betaliug is ten deze toepasselijk.

Art. 6. Bij het verzoekschrift wordt overgelegd :

1". een staat of balans, door de vereischte bescheiden gestaafd, benevens eene door den verzoeker opgemaakte waardeering zijner goederen en baten ;

2°. de opgave van naam, woonplaats en beroep der concurrente

schuldeischers;

3°. eene gelijke opgave der bevoorrechte, door pand gedefcie en hypothecaire schuldeischers ;

4° het ontwerp van akkoord, bij voorraad ten minste door de helft der schuldeischers, vertegenwoordigende de helft van het bedrag der niet bevoorrechte noch door pand of hypotheek gedekte schuldvorderingen, geteekend.

Art. 7. Dadelijk na ontvangst der stukken, benoemt de rechtbank eenen rechter-commissaris, ten einde den verzoeker en de schuldeischers te hooren, de schuldvorderingen, zoo noodig, te doen verifieeren, en, des gevorderd, beëedigen.

Het verhoor van den verzoeker geschiedt in raadkamer.

Indien blijkt dat de schuldenaar te kwader trouw is, wordt het verzoek afgewezen en de afwijzing gebracht ter kennis van het openbaar ministerie. .

Indien eene aanvrage tot faillietverklaring en een verzoek tot homologatie van akkoord buiten faillietverklaring gelijktijdig aanhangig zijn, komt eerst het laatste in behandeling.

Art 8 De rechtbank benoemt eveneens dadelijk na ontvangst der Stukken een of meer bewindvoerders, mede, zoo noodig, één of meer deskundigen, onderscheidenlijk met de bevoegdheid, omschreven in art 221 sub 1°. en 2°. der wet van 30 September 1893 {Stbl. no. 140) op het faillissement en de surse'ance van betaling.

Art. 229 1ste lid dier wet is ten deze toepasselijk.

Art. 9. De rechtbank beveelt zoodanige maatregelen als tot behoud des boedels en tot zekerheid der schuldeischers worden vereischt.

(1) In hoofdzaak stemt dit wetsvoorstel overeen met het bekende amendement van den heer Levy, door ons medegedeeld in W. nis. 6315 en 6317 en besproken in het hoofdartikel van W. no. 6319. Eene nauwkeurige vergelijking van het wetsvoorstel met het amendement wijst echter op enkele punten van verschil (wijziging en aanvulling). Wij hebben het daarom wenschelijk geoordeeld, ook met het oog op de toelichting en de nadere behandeling, den tekst van het voorstel noi» eens geheel op te

nHITlAIl

UWUV.U. UXiUAVliAi

Art. 10. De beschikking der rechtbank heeft het rechtsgevolg, omschreven bij art. 230 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling.

Art. 11. Voor het tijdvak tusschen de beschikking der rechtbank en de einduitspraak gelden de voorschriften der art. 231 en 232 der wet van 30 Sept. 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling.

Art. 12. De rechter-commissaris bepaalt eenen bekwamen dag, waarop de verzoeker en de schuldeischers, in tegenwoordigheid der bewindvoerders en der deskundigen, zoo die er zijn, zullen worden gehoord.

Het bevelschrift daartoe wordt bij brief aan al de bekende schuldeischers medegedeeld en voorts daarvan aankondiging gedaan in zoodanig dagblad of dagbladen als door den rechter-commissaris worden aangewezen.

Het verzoekschrift en de bescheiden worden inmiddels ter griffie nedergelegd, ten einde ieder daarvan inzage kunne nemen.

Het 2de lid van art. 215 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling is ten deze toepasselijk.

Art. 13. Ten bepaalden dage wordt, ten overstaan van den rechter-commissaris, in tegenwoordigheid van bewindvoerders en deskundigen, zoo die er zijn, overgegaan tot de verificatie der schuldvorderingen, invoege als bij de vijfde afdeeling van den Eersten Titel der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling is voorgeschreven, bijaldien verificatie door een der schuldeischers wordt verlangd.

Is dit laatste niet het geval, dan geldt de lijst der schuldeischers als bewijs van het bedrag van ieders vordering, behoudens tegenbewijs.

Vervolgens worden de schuldeischers op het verzoek van homologatie van het akkoord gehoord, en daarvan proces-verbaal opgemaakt.

Het ontwerp van het akkoord wordt bij die gelegenheid aan de schuldeischers, die het aanvankelijk niet hebben geteekend, ter teekening aangeboden.

Art. 14. Zoowel de verzoeker als ieder schuldeischcr is bevoegd om, vóór de uitspraak der rechtbank, aan dit college eene schriftelijke memorie in te zenden, tot staving ot tegenspraak van het verzoek.

Art. 15. De rechtbank doet met den meesten spoed ter openbare terechtzitting uitspraak op het verzoek, het openbaar ministerie gehoord.

Op deze uitspraak zijn de artt. 218 en 219 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling toepasselijk.

Art. 16. Het toestaan van het verzoek heeft ten gevolge, dat het akkoord verbindende is voor alle bekende en onbekende schuldeischers zonder onderscheid, met uitzondering van degenen, die bevoorrecht zijn, door pand zijn gedekt of hypotheek hebben, voor zooverre dezen niet uitdrukkelijk tot het akkoord zijn toegetreden.

De artt. 159, 160 en 165 der wet van 30 September 1893(5(6/. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling zijn ten deze toepasselijk.

Art. 17. De homologatie wordt geweigerd in een der gevallen, voorzien bij art. 153 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling, gelijk mede indien de verzoeker, op de door hem overgelegde lijsten, schuldeischers heeft verzwegen.

Ook op andere gronden en ook ambtshalve kan de homologatie worden geweigerd.

Art. 18. Indien binnen den tijd van ééne maand na de weigering der homologatie, de schuldenaar op eenigerlei wijze in staat van faillissement wordt verklaard, wordt het tijdstip, waarop de termijnen, in de artt. 43 en 45 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling vermeld, aanvangen, berekend van den dag af, waarop de indiening van het verzoek tot homologatie is bekend gemaakt.

De verificatie der schuldvorderingen, welke bij de rechtbank heeft plaats gehad, blijft, in het geval voorzien bij het 1ste lid van dit artikel, van waarde, behoudens de verificatie der schuldvorderingen van zoodanigen, die nader mochten opkomen, of van na eerstgemelde verificatie gemaakte schulden.

Art. 19. Voor het loon van bewindvoerders en deskundigen, zoo die er zijn, gelijk mede voor hunne verschotten en die van den griffier ten gevolge van de bepalingen dezer wet, is art. 239 der wet van 30 September 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling van toepassing.

Art. 20. Deze wet treedt in werking gelijktijdig met de wet van 30 Sept. 1893 (Stbl. no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling.

MEMORIE VAN TOELICHTING.

j-er geiegenneia aer beraadslaging in ae iweeae ivamei uiu het, sedert wet geworden, ontwerp op het faillissement en de surséance van betaling (1), had de ondergeteekende de eer een amendement voor te stellen, in hoofdzaak gelijk aan het wetsontwerp, dat hij thans vrijheid vindt in te dienen.

Aan bedoeld amendement was toegevoegd de navolgende

loelichting.

Volgt de toelichting, van welke reeds een uittreksel werd medegedeeld in Weekbl. no. 6317, waarbij wij het ook nu wegens gebrek aan beschikbare ruimte moeten laten.

De memorie luidt dan verder als volgt:

Art. 1 van het amendement werd in de zitting van 20 April 1893 met 41 tegen 27 stemmen verworpen. Dit stemmental en vooral de aan de stemming voorafgegane rede van den heer de Beaufort (Amsterdam) (2) wettigen het vermoeden, dat het gebruik maken van zijn recht van initiatief ten deze den ondergeteekende niet als onbescheidenheid zal worden toegerekend.

Het zijn in hoofdzaak twee bedenkingen, die de wet van 30 Sept. 1893 (Staatsblad no. 140) op het faillissement en de surséance van betaling doet rijzen :

1°. Het faillissement uitbreidende tot niet-kooplieden, verscherpt zij den rechtstoestand dezer laatsten in niet geringe mate;

2°. Het faillissement opvattende als eene vermogens-executie uitsluitend, stelt zij op ééne lijn den lichtzinnige of moedwillige, wien winstbejag hoofdzaak, het middel dat hij bezigt bijzaak is, en den deerniswaardigen schuldenaar, die eerlijk bleef, ook al werd hij door ongeluk vervolgd.

Wat het eerste punt betreft: om tot eene billijke vergelijking te komen is het noodig, dat men zich plaatse op het standpunt door den Raad van State en vooral in het afzonderlijk advies van de Staatsraden Jhr. Rochussen en Jhr. van IIümalda van Eysinga ingenomen (3).

De geestelijke, de onderwijzer, de geleerde, de ambtenaar, de officier, de landbouwer, de pachter, de niet-koopman in het algemeen is veelal verplicht met beperkte middelen rond te komen. Huissehulden gaan zij allen aan, gel\jk mede persoonlijke verplichtingen. Het karakter echter dier schuld verschilt van dat des handel8obligo18. Voor den koopman, ook den meest bemiddelde, is een beroep op het krediet levensvoorwaarde, zoowel van bestaan als van winst. Dat hij dan ook de gevolgen van deze zijne maatschappelijke stelling bereidwillig aanvaarde, althans zich getrooste. Betaalt hij niet stipt op tijd, hij is fout — zóó drukt de spraakmakende gemeente zich uit. En zij doet het met kenmerkende juistheid. Wordt een handelsengagement niet nageleefd, er is op staanden voet voorziening noodig. Wie echter, die ook maar eenigszins vertrouwd is met den gang van zaken in onze samenleving, zal hetzelfde durven beweren, voor het geval een nietkoopman een of meer schulden en souffrance laat? Ook voor dezen kan het oogenblik aanbreken, waarop voorziening noodzakelijk blijkt. Niet echter wanneer een schuldeischer eens te vergeefs aanklopt, maar wanneer kennelijk onvermogen het peil van zijn maatschappelijken toestand aanwijst. Dusver erkende onze wet dit fundamenteele verschil door de wijze, waarop zij het faillissement voor koopman en niet-koopman onderscheidenlijk hanteerde. (Art. 764 vlg. Wetboek van Koophandel; art. 882 vlg. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De nieuwe wet echter heeft de scheidslijn uitgewischt en daarmede beslist, dat ieder fout verklaard worden kan, bijaldien hij, zij het ééne, zij het een huisschuld onbetaald laat. Zelf de waarschuwing van den Raad van State om althans huisschulden buiten spel te laten (4) heeft niet gebaat.

Ten einde de hier aangewezen schromelijke verscherping van rechtstoestand des niet-koopmans en hare noodlottige gevolgen althans eenigermate te verzachten, werd het faillissement afhankelijk gemaakt van de voorwaarde, dat het „in het gemeenschappelijk belang zijner schuldeischers wenschelijk wordt geoordeeld' (art. 1). Zonderling echter was de loop dezer bijvoeging. In de Tweede Kamer aanbevolen en aangenomen als eene veiligheidsklep tegen verkeerde opvatting of misbruik, werd zij in den anderen tak der Vertegenwoordiging „een overwegend bezwaar" genoemd en door de Regeering als Bvolkomen onschuldig" verdedigd (5). Onschuldig zou zij zijn, omdat het begrip, door de voorwaarde uitgedrukt, reeds gelegen is in het vereischte voor ieder faillissement: het ophouden te betalen. Wie echter ziet niet, dat door deze verdediging de zaak er niet beter om wordt? Een rechter, die geenerlei maatstaf heeft ter beoordeeling van der schuldeischers gemeenschappelijk belang, zal lichtelijk er toe komen, in het ophouden te betalen zelf de krenking) van dat belang te zien. Alsdan gedraagt hij zich geheel naar de uitlegging der Regeering, die nadrukkelijk aan 's rechters waardeering vrij spel gelaten wilde zien (6). Maar alsdan is de veiligheidsklep weerloos en ontstaat het gevolg, waartegen de ondergeteekende niet genoeg waarschuwen kan, dat faillissement van koopman en van particulier, gelijk het in ééne wet is saamgevoegd, uit één gezichtspunt door den rechter wordt beschouwd.

In nauw verband tot dit punt staat de tweede grieve, door den ondergeteekende boven vermeld.

De heillooze fictie, door de wet aangenomen en standvastig volgehouden is, dat het faillissement is eene vermogens-execntie,

die „den persoon van den schuldenaar geheel ongemoeid

(2) Handelingen t. a. p. blz. 1026.

(3) Gedrukte stukken 1892/93. 18. Bijl. BI van het Verslag der Commissie van Voorbereiding, bladz. 3, kol. 1 en bladz. 22.

(4) Gedrukte stukken t. a. p. bladz. 3, kolom 1.

(5) Zie de rede van den heer Pijnappel. Handelingen Eerste Kamer 1893—1894, bladz. 9, en van den heer Minister van Justitie, bladz. 35.

(6) Zie de rede van den heer Minister van Justitie in de Eerste Kamer, Handelingen 1893—1894, bladz. 36.

(1) Handelingen, 2de Kamer 1892/93, bladz. 988 vlg.

Sluiten