Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 11 December 1893.

N#. 6421.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Bit blad. verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f'10; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Prijs der

advertentiën, 20 cent» per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

WETGEVING.

Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1894.

IVe HOOFDSTUK (Departement van Justitie). MEMORIE VAN ANTWOORD.

( Vervolg en Slot).

Artikelen.

Ilde Apdeeuno.

Kosten van de rechterlijke macht.

Art. 7. In de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het IVde hoofdstuk der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1892 zijn bij dit artikel de bedenkingen uiteengezet om nadat bij de wet van 9 April 1877 (Stbl. no. 79) de traetementen van rechters in rechtbanken der eerste klasse op een hooger bedrag zijn bepaald dan in die van de tweede klasse en daarbij dus reeds rekening is gehouden met de omstandigheden dat in groote steden het leven duurder is en de werkzaamheden drukker zijn dan in andere plaatsen, de rechterstractementen in enkele groote steden nog nader te verhoogen. Daarbij is thans niets te voegen, dan alleen dat het minder juist is te zeggen, dat men bij de vervulling van vacatures in de groote steden thans dikwijls veel moeite heeft de geschikte personen te vinden. Voor die plaatsen bieden zich somtijds, niet eens altijd, minder sollicitanten aan dan elders, maar of dit nu eenig en alleen het gevolg is van het duurdere leven in die steden, is in geenen deele gebleken (1).

Art. 9, De ondergeteekende is het eens met de leden die van oordeel zijn dat, wanneer aan de deurwaarders bij de rechtbanken voor het bijwonen der strafzittingen bezoldiging moest worden toegelegd, het niet billijk zou zijn den maatregel niet toe te passen op deurwaarders bij de kantongerechten aan wie gelijke verrichtingen worden opgedragen.

Hij heeft verder zijn gevoelen over de zaak ten vorigen jare medegedeeld en is van meening, dat het in de afdeeling uitgesproken oordeel over de vergoeding of het nadeel van deurwaarders in de steden en ten platten lande geenszins algemeen kan gelden daar de toestanden op verschillende plaatsen zeer verschillen. Maar dit is zeker, dat aan sollicitanten naar deurwaardersplaatsen volkomen bekend is, dat zij niet te rekenen hebben op bezoldiging of vergoeding voor verrichtingen die zij als deurwaarder verplicht zijn kosteloos uit te voeren.

Art. 14. De vergoeding van bureaukosten volkomen billijk, evenredig en toch zuinig te regelen, zal wel bezwaarlijk zijn^ uit te voeren. De werkzaamheden verschillen, maar ook de individualiteit en de eischen der personen met die werkzaamheden belast.

Daardoor is ook eene zuivere beoordeeling, welke toelage billijk, welke te gering is, eigenlijk niet mogelijk. Ofschoon de ondergeteekende niet zal beweren dat de tegenwoordige regeling volmaakt is, gelooft hij toch dat stuitende onbillijkheden daaibij zijn vermeden. Waar verbetering is aan te brengen en deze noodzakelijk blijkt, is er geen reden, daar niet nader in de zaak te voorzien.

De aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de kantongerechten voor de kantons Oostburg, Terneuzen en Hulst, evenals vroeger, bij nadere overweging, op nieuw aangewezen standplaats Middelburg is te verkiezen boven een andere, omdat hij dan in 't belang van den dienst in aanraking blijft met den officier van justitie. De reis- en verblijfkosten worden daardoor ook niet opgedreven, daar van Middelburg uit elk der drie kantons op één dag heen en terug kan worden bezocht.

lilde Afdeeling.

Kosten van het Hoog Militair Gerechtshof en de auditiën in de militaire arrondissementen.

De wenschelijkheid van eene afzonderlijke strafgevangenis voor veroordeelden wegens zuiver militaire vergrijpen, voor de aanwijzing waarvan eene wetswijziging zou noodig zijn, kan bij de behandeling of na de totstandkoming van het aanhangig Wetboek van Militair Strafrecht met vrucht worden besproken. In den tegenwoordigen toestand der wetgeving schijnt, nadat nog niet lang geleden eene beslissing werd genomen, in geen geval eene nieuwe verandering raadzaam.

Ook eene reorganisatie van het Hoog Militair Gerechtshof — gesteld dat die wenschelijk blijkt — kan eerst ter hand worden genomen nadat het ontwerp van evengenoemd Wetboek zal zijn afgehandeld, waarna toch eene herziening van het formeele militaire Strafrecht aan de orde zal moeten komen.

IV de Afdeei ino.

Gerechtskosten.

Art, ts. De uitgaven voor gerechtskosten zijn afhankelijk van

memoritrltpiL.I^rdt V,°lgeDS eene nota van wijziging, bij deze Dersoiipel f » verhoogd met f 3000 ter uitbreiding van het de irfSlok " AnJste™lamsche rechtbank met één rechter, volgens iirif ?ood''a^e'likheid om een vierden rechter-commis-

Toor de instructie van strafzaken aan te stellen.

Redactie.

het getal behandelde zaken en het spreekt dus van zelf dat het bedrag elk jaar verschillend is.

In 1888 werd uitgegeven ...... f 303 479,86

„ 1889 „ „ - 329 342,65

„ 1890 ,, „ - 324 708.094

„ 1891 „ „ - 325 339,31

„ 1892 „ „ - 364 061,45

Voor 1894 is nu, nadat het cijfer door den ondergeteekende voor 1892 reeds f 20 000 hooger was voorgedragen, in evenredigheid met de gebleken gemiddelde behoefte over 1889/1891, niet meer geraamd dan voor 1893, omdat een exceptioneel hoog cijfer van één jaar, als 1892, niet tot norma kan dienen.

Vde Afdeeling.

Kosten van algemeene of Rijkspolitie en in zake van jacht en visscherij.

Art. 22. De bewering, dat tot inspecteurs der Rijksveldwacht uitsluitend gepensionneerde officieren zouden benoemd zijn en geen gemeentelijke politie-ambtenaren van hoogeren rang in aanmerking schijnen gekomen te zijn is minder juist. Van de negen inspecteurs zijn vijf gepensionneerde officieren, terwijl de vier overige

gekozen zijn uit het personeel der gemeentepolitie, legen de benoeming van brigadiers-majoor bleken bij de uitvoering overwegende bezwaren te bestaan.

Omtrent de resultaten der nieuwe organisatie kan thans, nu zij pas ruim vier maanden werkt, met grond nog niets worden medegedeeld. Van verschillende ambtelijke zijden betoont men zich aanvankelijk tevreden.

Tot vermindering van nadeelen, die uit de tegenwoordige jachtwet voortvloeien, is de ondergeteekende zeer genegen mede te werken. Reeds sedert zijn optreden bestond bij hem het voornemen, daartoe het noodige te doen, doch wegens tal van andere onderwerpen, die telkens op den voorgrond drongen, was het hem niet mogelijk te verrichten wat hij ten deze en in ander opzicht wel had gewenscht.

Intusschen behoort aan de bestaande jachtwet zeer zeker de hand te worden gehouden, en de vermindering van het aantal Rijksveldwachters-jachtopzieners mag in geenen deele worden beschouwd als bewijs voor een tegenovergestelde meening. Die vermindering, op zich zelve niets beduidend, hield gelijken tred met de vermeerdering van het getal gewone Rijksveldwachters; op sommige plaatsen bestond voor hpnnalrle Bevallen en omstandig¬

heden behoefte aan een uniform gekleeden beambte, en daarin werd voorzien door den aldaai gestationneerden jachtopziener tot gekleed rijksveldwachter aan te stellen, onder bepaalden last evenwel, dat de bewaking van het jachtveld daaronder niet lijde. Van eene circulaire „omtrent het toezicht op de jachtvelden", die met de gemaakte opmerking verband zou houden, is den ondergeteekende niets bekend.

Een absoluut verbod om premiën aan te nemen blijft de ondergeteekende, ook na voortgezette overweging, niet raadzaam achten. Evenwel is bij de nieuwe instructiën op den dienst der bezoldigde Rijksveldwachters van 29 Mei 1893, en voor de onbezoldigde Rijksveldwachters van 22 Juni I893' getracht, zooveel mogelijk de nadeelen van het premie-stelsel te keeren. Beide instructiën kennen niet meer de eigenlijke premiën voor bekeuringen, maar

spreKen aiieen van gratificatiën, waardoor het geven van geschenken bij voorbaat wordt uitgesloten; te beter omdat die gratificatiën alleen mogen worden aangenomen met machtiging van den procureur-generaal, fungeerend directeur van politie, verleend op voorstel van den officier van justitie en — v°or wat de bezoldigde beambten betreft — nadat de inspecteur zal zijn gehoord. Verder is bepaald dat die machtiging alleen wordt gegeven, indien de gratificatie niet kleiner is dan zeker bedrag, waardoor gewone fooien zijn buitengesloten, en — voor de bezoldigde Rijksveldwachters — indien zij strekt tot belooning van buitengewone diensten, waaronder de gewone dienst niet heeft geleden.

Het toezicht op de visscherij aan speciale ambtenaren op te dragen, kan onnoodig geacht worden. Vermoedelijk wordt alleen bedoeld de visscherij op de groote rivieren, niet die in de kanalen, kleinere stroomen, meeren en plassen. De met het toezicht op eerstgenoemde visscherij thans belaste Rijksveldwachters-jachtopzieners missen inderdaad doorgaans de vereischte kennis niet. Zij worden in den regel benoemd uit zalmvisschers, personen op oesterbanken werkzaam, of bekend met de visscherij, op de Zeeuwsche stroomen uitgeoefend, al naar gelang van de hun aan te wijzen standplaats. Moesten trouwens voor elke surveillance, die eenige technische kennis vereischt, speciale ambtenaren worden aangesteld, de administratie zou er niet eenvoudiger en beter, maar wel kostbaarder op worden.

Vide Afdeeling.

Kosten der gevangenissen en Rijks-opvoedingsgestichten.

Het gevoelen van enkele leden, dat de Staat niet „te veel" aan de opleiding der verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten mag ten koste leggen, allerminst bestrijdende, deelt de ondergeteekende toch ten volle de blijkens het Verslag van vele zijden gehuldigde opvatting, dat de Staat, waar h(j zich met hun opvoeding belast, moet trachten hen tot goede staatsburgers en degelijke werklieden te maken. De geraamde hoogere uitgaven zijn daarvoor noodig, zonder in eenige overdrijving te vervallen, die naar des ondergeteekenden meening zorgvuldig moet worden vermeden.

Het in de Memorie van Toelichting ontwikkelde program is de grondslag van eene ingevoerde reorganisatie, die aanvankelijk uitnemend voldoet en eene groote verbetering aanbracht. De ondergeteekende behoudt zich echter gaarne eene wijziging voor, zoo de ondervinding mocht leeren, dat het program die behoeft, hetzij

wat betreft de voorloopig toegepaste classificatie volgens een gemengd stelsel, hetzij wat andere punten aangaat.

Acoustiek in de gevangenissen.

Dusver is hier te lande, evenmin ftls in het buitenland, eene oplossing gevonden van de vraag: hoe, zonder belemmering van de noodzakelijkste luchtverversching in de cellen, te beletten dat het geluid van uit de cel naar buiten doordringe.

Art. 32. Indien ten behoeve van gevangenen en verpleegden van uiteenloopende godsdienstige richting onderscheidene kerkleeraars van gelijke richting in dienst moesten gesteld worden — gesteld al dat dit doenlijk ware, — dan zon het getal personen aan wie vrije toegang tot de gestichten moest worden verleend, grooter worden dan met de zorg voor strenge handhaving van orde is overeen te brengen.

Het stelsel dat aan elke gevangenis één Protestantsch godsdienstleeraar is verbonden, behoort te worden gehandhaafd.

Art. 32 b en c. Om te beoordeelen of het personeel, waaraan in de Rijksopvoedingsgestichten te Doetinchem en Alkmaar het geven van lager onderwijs is opgedragen, te gering in aantal is, moet worden gewacht totdat de ïeorganisatie geheel is doorgevoerd en eenigen tijd heeft gewerkt. De aanstelling van onnoodig personeel moet toch worden vermeden. Intusschen wordt gewaakt tegen te talrijke klassen. Maar mocht vermeerdering van personeel blijken noodig te zijn, dan mag, bij de zorg door den ondergeteekende, daarin aan het Departement uitnemend ondersteund, aan deze gestichten gewijd, van hem toch wel verwacht worden, dat voorstellen tot aanvulling niet achterwege zullen blijven.

Art. 32d. Het is nog niet met zekerheid te bepalen, hoe het personeel van beambten in het Rijksopvoedingsgesticht te Avereest aanvankelijk zal moeten worden samengesteld, omdat — gelijk in de Memorie van Toelichting reeds is vermeld — de behoefte afhangt van omstandigheden, welke niet zijn te voorzien. Daarom heeft in dit geval het ramen van een post voor voltallig personeel de voorkeur boven het indienen van eene suppletoire begrooting, die eerst in den loop van het tweede halfjaar zou kunnen worden voorbereid en dus eerst laat in het jaar vastge¬

steld, waardoor inmiddels een goede gang van zaken niet ware verzekerd en zou worden belemmerd.

Dat na de indienststelling van het gesticht te Avereest voldoende ruimte zal aanwezig zijn voor de plaatsing in een Rijksopvoedingsgesticht van de jeugdige personen die daarvoor in de termen vallen, vertrouwt de ondergeteekende alleszins, maar hij kan daarvan geene verzekering geven, omdat het geheel zal afhangen van het getal rechterlijke uitspraken, waarbij de opzending naar een Rijksopvoedingsgesticht wordt bevolen.

De bedoeling is, bij het gesticht te Avereest, evenals bij de Rijksopvoedingsgestichten te Alkmaar en bij Doetinchem, een Protestantschen godsdienstleeraar en een Roomsch-Katholieken geestelijke aan te stellen. Het zal wel bezwaarlijk anders kunnen. De bedoeling trouwens is om, gelijk ook bij de twee andere opvoedingsgestichten geschiedt, aan den plaatselijken predikant en geestelijke tot dat einde eene toelage te verleenen.

Artt. 34 en 36. In de Memorie van Toelichting (bladz. 3) komt omtrent art. 34 voor: „De verhooging der raming is een gevolg van de vermeerdering der gestichten en daardoor ontstaande uitbreiding van personeel en van het feit, dat door beambten meer dan vroeger gebrnik wordt gemaakt van de hun bij art. 36 van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur van 31 Aug. 1886 (Stbl. no. 159) gegeven bevoegdheid om iaarliiks 14 rlno»,,

verlof te vragen".

Ten deele gelden deze redenen ook voor art. 36. De post „abonnementen van besturen" moest worden verhoogd voor de toekenning van een abonnement aan het College van regenten over het nieuwe Bijksopvoedingsgesticht voor jongens te Avereest.

Art. 37. De verhooging der raming voor kosten van onderhoud der gevangenen heeft sommigen leden aanleiding gegeven aan te dringen op meer zuinigheid bij de voeding en verpleging.' Het bijgevoegde motief tot dien aandrang wordt door den ondergeteekende gedeeld, maar dat voor aandrang grond bestaat moet door hem beslist worden afgewezen. De voedingsquaestie is eene hoogst moeilijke, die groote zorg en verantwoordelijkheid vraagt Daarbij moet wel gerekend worden met gemiddelden, terwijl geen enkel individu aan dat type beantwoordt. Het ééne kwaad willende vermijden, vervalt men in een ander euvel. Zeker is het dat niet beneden hetgeen noodzakelijk is mag worden gegaan.' Uitgewerkte betoogen, dat de zuinigheid te ver gedreven en verbetering van voeding noodig is, zijn herhaaldelijk van colleges van regenten over gevangenissen ontvangen. Dit heeft geleid tot een onderzoek, waarbij ter zake ook het advies van de gezamenlijke inspecteurs van het geneeskundig Staatstoezicht is ingewonnen,

die als hun eenparig gevoelen hebben te kennen gegeven, dat in' de voeding meer afwisseling moet worden gebracht, maar voor 't overige voor gevangenen, die geen of slechts lichten arbeid verrichten, de voeding slechts even voldoende achten en verder van oordeel zijn, dat zij voor de andere gevangenen aanvulling vereischt. Dat er dus grond is om aan te dringen op meer zuinigheid, kan niet worden toegegeven.

Art. 41. Des ondergeteekenden ambtsvoorganger heeft geene voldoende reden gevonden om na aanneming van de conclusie der betrekkelijke commissie in de vergadering der Kamer van 29 Mei 1891, over te gaan tot de hem in overweging gegeven benoeming van eene commissie van onderzoek.

Het onderwerp zelf wordt dagelijks met zorg nagegaan, onder het streven om somtijds bestaande niet te miskennen tegenstrijdige belangen zooveel mogelijk te verzoenen.

De door de Kamer gevraagde inlichtingen, naar aanleiding van

Sluiten