Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 30 October 1893.

Voorzitter, Mr. J. A. Vaillant.

Rechters, Mrs.: Th. J. Hoppe en G. Polak Daniels.

De gedaagde, die beweert dat dezelfde vordering tusschen dezelfde partijen reeds voor denzelfden rechter aanhangig is, vraagt terecht niet-ontvankelijkheid des eischers.

Deze nceptie behoort afzonderlijk berecht te worden, ook al heeft

gedaagde (excipient) tevens op de hoofdzaak geconcludeerd. Alléén wanneer èn oorzaak è» voorwerp van twee vorderingen dezelfde zijn, hebben deze hetzelfde onderwerp en kan er sprake zijn van luis pendentie.

L. v. d. "W., koopman te Krimpen a/d Lek, eischer en geëxcipiëerde, procureur en advocaat Mr. J. G. L. Nolt TbenitÉ,

tegen

1". A. de B., timmerman, en 2°. A. B., stucadoor, beiden te Rotterdam, gedaagden en excipienten, procureur en advocaat Mr. M. Tei.s.

De Rechtbank enz.,

Gehoord partijen in hare conclusien en pleidooien ;

Gezien de stukken ;

Overwegende voor wat aangaat de daadzaken :

dat eischer bij dagvaarding en conclusie van eisch stelt en van de gedaagden vordert betaling van een bedrag van f 1402.50 met de renten volgens de wet, zoo, dat de een betalende de andere zal zijn bevrijd, ter zake eischer aan J. C. van R. en ,T. R., timmerlieden, beiden te Rotterdam woonachtig, in Aug. 1890 heeft geleverd 70 stuks heipalen, nader bij dagvaarding en conclusie van eisch omschreven, terwijl gedaagden voor de richtige voldoening van gesteld bedrag ten behoeve van eischer zich als borgen hebben verbonden ; dat niettegenstaande gezegde van R. en R. in gebreke zijn gebleven hunne verplichtingen na te komen ook gedaagden, niettegenstaande sommatie in gebreke bleven aan de op hen rustende verbintenis van borgtocht gevolg te geven ;

O. dat gedaagden in antwoord doen weten, dat reeds bij dagvaarding dd. 3 1 ebr. 1892, beteekend door den deurwaarder Felix, welke dagvaarding de actis causae is gemaakt, dezelfde vordering welke het onderwerp dezer procedure uitmaakt, is aanhangig gemaakt voor deze Rechtbank en daarin alsnog geen uitspraak is gedaan, zoodat de eischer in de vordering die hij nu terzelfder zake, hoewel op eenigszins andere gronden aan de beslissing der Rechtbank onderwerpt, is niet-ontvankelijk, terwijl daarenboven gedaagden de door eischer gestelde borgtocht ontkennen en op dien grond in alle gevallen de eisch moet worden ontzegd;

O. dat eischer onder reserve van alle rechten ten principale op de voorgestelde exceptie voor repliek doet zeggen :

dat het onderwerp van het rechtsgeding, waarvan gedaagden en excipienten het dossier overleggen, een geheel ander is dan het onverwerpelijke, concludeerende eischer, tevens geëxcipieerde, dat de Rechtbank de door gedaagden opgeworpen exceptie ongegrond verklare met last om op de hoofdzaak voort te procedeeren -

O. dat gedaagden voor dupliek in hel midden brengen, dat daar zij hebben geantwoord op de hoofdzaak en de door eischer gestelde borgtocht hebben ontkend, terwijl eischer daaromtrent geen nader bewijs heeft bijgebracht, des eischers vordering in ieder geval behoort te worden ontzegd;

O. in rechte:

dat het verweer van de oorspronkelijke gedaagden, dat reeds bij dagvaarding dd. 3 Febr. 1892 dezelfde vordering, welke het onderwerp dezer procedure uitmaakt, is aanhangig gemaakt voor deze Rechtbank, inderdaad als een exceptief verweer moet worden aangemerkt, welke exceptie, daar door den excipient geen verwijzing naar deze Rechtbank is en ook niet kon worden gevraagd, niet is de exceptie van litis pendentie omschreven in art. 158 B. R., maar eene die daarmede geheel overeenkomt en eveneens tot grondslag heeft den rechtsregel „ne bis in eadem re sit actio" en die dus evenzeer als eene exceptie van litis pendentie moet worden aangemerkt, waarvan de wet de toepassing niet verbiedt en bij het instellen waarvan de niet-ontvankelijkheid van de hoofdvordering moet worden gevraagd ;

0. dat alzoo het exceptief verweer aan zijde van de oorspronkelijke gedaagden op de wet is gegrond;

0. dat de oorspronkelijke gedaagden beweren dat, daar zij behalve ten exceptieve ook ters:ond ten principale hebben geantwooid, de oorspronkelijke eischer eveneens ten principale voort had moeten procedeeren en zijne vordering alzoo als onbewezen hem moet worden ontzegd ;

O. daaromtrent, dat de boven omschreven exceptie moet worden voorgesteld, zooals excipienten ook deden, vóór of althans gelijk met het antwoord ten principale en alzoo die exceptie op zich zelve moet worden uitgewezen en niet mag worden aangehouden of gevoegd worden bij de hoofdzaak en mitsdien zeer terecht de oorspronkelijke eischer, alvorens op de hoofdzaak voort te procedeeren, zich er toe bepaald heeft om zich te verdedigen tegen het exceptief verweer aan zijde van de oorspronkelijke gedaagden gevoerd;

0. dat thans nog de vraag ter beslissing overblijft of de vordering bij vroegere dagvaarding aanhangig gemaakt, zoowel voor wat betreft het onderwerp als voor wat aangaat de personen, dezelfde is al8 die waarvan thans de rede;

0. daaromtrent, dat het tusschen partijen onbetwist is, dat de beide procedures, waarvan ten deze sprake, worden gevoerd tusschen dezelfde personen, hebbende toch dezelfde eischer bij dagvaarding dd. 3 Febr. 1892 beteekend door den deurwaarder Felix te Rotterdam, deze zelfde gedaagden opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting dezer Rechtbank van den 15 Febr. 1892 om te hooren eisch doen dat de gedaagden zouden worden veroordeeld tot een gelijk bedrag als in de dagvaarding, welke deze procedure tot grondslag heeft is vermeld;

O. dat echter het onderwerp der beide hierbedoelde rechtsgedingen geheel verschillend is, daar toch die aangebracht bij dagharding van 3 Febr 1892 betreft eene vordering wegens gele^erde heipalen en die welke bij dagvaarding van den 24 Dec *892 voor deze Rechtbank is aanhangig gemaakt — zijnde de onverwerpelijke procedure — betreft eene borgstelling voor nch-

betaling van geleverde heipalen ;

dat nu wel is waar beide vorderingen strekken tot betaling 1111 den oorspronkelijken eischer door de oorspronkelijke gedaagen van een gelijk bedrag en men op dien grond zou kunnen beweren, dat het voorwerp der beide vorderingen geheel dezelfde *sï doch dat voor het bestaan der exceptie van litis pendentie een gelijk onderwerp wordt gevorderd, hetgeen in rechtskundigen

zin niet anders kan beteekenen, dan dat voorwerp en oorzaak der vorderingen eene en dezelfde zijn ;

dat die oorzaak voor ieder der onderwerpelijke vorderingen geheel verschillend is en mitsdien aan deze voorgedragen exceptie de feitelijke grondslag ontbreekt, weshalve deze exceptie den excipienten niet kan volgen ;

Gezien, behalve het aangehaalde wetsartikel, artt. 161 en 56 B. R.:

Verklaart de oorspronkelijke gedaagden, thans excipienten, nietontvankelijk in hun exceptief verweer ;

Gelast aan partijen ten principale voort te procedeeren en veroordeelt de oorspronkelijke gedaagden, thans excipienten, in de kosten op dit incident gevallen, aan zijde van den oorspronkelijken eischer, thans geëxcipieerde, tot aan de uitspraak van dit incidenteel vonnis begroot op f 75.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 27 April 1893.

Voorzitter, Mr. Ph. W. Scholten.

Rechters, Mrs.: A. Heemskerk en J. J- A. L. Bedns.

Een bekentenis betrekkelijk op één post en eene ontkentenis ten aanzien van twee andere posten, kan niet genoemd worden eene onsplitsbare bekentenis, maar bestaat uit ééne bekentenis en twee ontkentenissen, die ieder afzonderlijk beschouwd moeten worden.

Compensatie heeft alleen bij liquidevorderingen plaats.

Eene schuld die niet erkend wordt, is met liquide, d. i. niet voor dadelijke vereffening vatbaar.

Het bewijsaanbod dienaangaande moet als informeel ter zijde gesteld worden, waar van die „schuld" geen vordering bij wijze van reconventie is gemaakt.

J. J. Weeveringh, te Amsterdam, eischer, procureur Mr. E. J. Korthals Altes,

tegen

de Naamlooze Vennootschap: „Uitgevers- en Drukkers-Maatschappij" te Amsterdam, gedaagde, procureur Mr. Ed. Lankhout.

De Rechtbank enz.,

Gezien de stukken ;

Ten aanzien der feiten :

Overwegende dat de eischer bij dagvaarding en overeenstemmende conclusie heeft gesteld, dat hij als redacteur bij de gedaagde in dienst is geweest tegen f 1500 'sjaars, te betalen met f 125 per maand, speciaal ten behoeve van De Kapitalist, Dagel. jBrursblad;

dat eischer op 15 April 1892 plotseling uit die betrekking is ontslagen en hem toen verschuldigd was aan salaris over Febr. 1892 : f 125, waarop hem op rekening is afbe'aald f 105, zoodat

hij daarop nog per resto te vorderen had f 20.—

dan over Maart • 125.—

en over de helft van April - 62.50

alzoo te zamen . . . f 207.50; dat de eischer in weerwil van allerlei zelfs schriftelijke beloften van zijde van ged. dit salaris nog niet heeft ontvangen, waarom hy vordert en eensluidend voor eisch heeft geconcludeerd tot ged.'s veroordeeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad c. a., om aan den eischer tegen kwijting te betalen de som van f 207.50 met de wettelijke renten van af den dag der dagvaarding en in de proceskosten ;

O. dat de ged. hierop heeft geantwoord met eene algemeene ontkentenis, echter als onsplitsbaar aveu daaraan toevoegende: dat zij sedert 1 Maart 1892 de redactie van het finantieele blad De Kapitalist, Dagel. Beursblad voerde, welke redactie tot dien datum voor rekening en verantwoording van de thans in slaat van faillissement verkeerende Naamlooze Vennootschap „de Effectenbank de Kleine Kapitalist" gehouden werd;

dat zij dus onder geen voorwaarde hoe ook genaamd, aan eischer vóór 1 Maart iets verschuldigd kan zijn ;

dat, nu met de overdracht der redactie door ged. tevens werd overgenomen het daaraan verbonden personeel en hiermee de eischer, die door de oorspronkelijke eigenares van het blad eerst voor f 100 later voor f 125 per ma&nd, doch nimmer per jasr werd geëngageerd;

dat eischer dan ook ongetwijfeld aanspraak heeft op salaris over Maart ad f 125, doch niet ingevolge de gestelde overeenkomst, dat hij geen aanspraak heeft op f 62.50 voor de helft van April, omdat eischer niet, zooals hij stelt, plotseling uit zijn betrekking is ontslagen, maar onverwacht en geheel vrijwillig zijn betrekking heeft verlaten, waardoor ged. groote schade leed;

dat echter bedoelde schuld van f 125 voor het grootste deel door schuldvergelijking is te niet gegaan ; dat immers ged. van eischer blijkens vroeger iugediende rekening heeft te vorderen een opeischbaar bedrag van f 89.10 wegens op last en voor lekening van eiecher door ged. in de haar toebehoorende financieele bladen geplaatste advertenties, waarvan de specificatie hier volgt: De Rentenier :

18 Maart 1892, 1 advert. woordenboek 27 f 4.05

De Kapitalist:

Maart 3, 4, 5, 9, 11, 19,22, 7 plaats, woordenb. f47.25 April 8, 9, 11, 12, 4 id- „ -27.—

- 74.25

De Kleine Kapitalist:

April 20 1 advert. W- 27 - 5.40

Mei 7 1 „ id. 27 - 5.40

- 10 80

f 89.10

zoodat het verschuldigd saldo blijft f 35.90, tot betaling waarvan ged. steeds en ten allen tijde bereid is;

dat verder de gevraagde uitvoering bij voorraad niet gegrond is op de wet, waarom zij concludeert tot niet ontvankelijk-verklaring in eisch of ontzegging daarvan, onder hei vragen van akte dat zij bereid is tegen kwijting aan eischer bedoelde f 35.90 tot slot van rekening te betalen c. e.;

O. dat de eischer bij repliek zegt, dat het onwaar is dat de uitgave van De Kapitalist op naam van ged. geschiedde eerst van 1 Maart 1892 af, hetgeen volgt uit het overgelegd exemplaar van Zaterdag 2 Jan. 1892 ;

dut bedoelde vennootschap lang vóór 1 Maart 1892 was opge¬

richt, hetgeen blijkt uit het eveneens overgelegd exemplaar van de Ned. Staatscourant van Zaterdag 13 Febr. 1892, no. 37-

dat hieruit volgt, dat wel degelijk datgene verschuldigd is wat eischer vordert en het in dezen sland vrij onverschillig 'is of eischer bij het jaar of bij de maand is aangenomen ;

dat uit de briefwisseling van eischer met den directeur der ged. van 16 April 1892 (behoorlijk geregistreerd) blijkt dat ged., die erkent dat eischer toen ad f 125 per maand in haar dienst was, tot op dien datum het verschuldigde niet heeft betaald; en er ook uit blijkt, dat eischer niet moedwillig en onverwacht zijn betrekking heeft verlaten, maar eenvoudig zonder eenige betaling door ged. is op straat gezet;

dat ten aanzien der compensatie de eischer ontkent die posten verschuldigd te zijn ;

dat de waarheid (zoo noodig door getuigen te bewijzen) deze is, dat bedoelde advertenties slechts door ged. geplaatst zijn als zoogenaamde „stoppers", die dienen om bij het ontbreken van de noodige copie, het blad gevuld te krijgen; dat dit met bedoelde bladen, die niet in proces zijn en dus geen tegen vordering kunnen instellen, het geval schijnt, doch eischer ontkent tot plaatsing order te hebben gegeven ;

dat eischer aanbiedt de door hem bij eisch gestelde feiten door alle mid leien rechtens ook door getuigen te bewijzen, dat hij ged. sommeert het handschrift van gezegden brief te erkennen of te ontkennen, waarna hij persisteert;

O. dat ged. bij dupliek heeft aangevoerd :

dat het getuigenbewijs afstuit op art. 1933 j". 1932 B. W.; dat zij wijst op art 5 der statuten (overgelegde Staatscourant) waarin uitdrukkelijk staat, dat de reductie der 4 bladen voor rekening zou geschieden van de Effectenbank: Kleine Kapitalist en zulks op de wijze als vastgesteld zou worden op de algemeene vergadering, die gehouden is 19 Februari (lees: Januari) 1892 waarin werd besloten dat de redactie .ot 1 April 1892 voor rekening van de Effectenbank zou blijken ; dat, toen echter de Effectenbank op 29 Febr. aan ged. kenbaar maakte, dat zij zich niet meer met de redactie zou belasten, na dit tijdstip ged. de redactie op zich nam; dat de brieven, die overgelegd zijn, de bewuste overeenkomst niet bewijzen, maar daaruit veeleer volgt, dat eischer zich van zijn schuld bewust, niet onder de oogen der redactie durfde te komen en zich schriftelijk tot haar wendde;

dat ten aanzien der compensatie nog dit wordt opgemerkt dat die bladen niet buiten het geding staan, maar (zie art. 5 Statuten) de uitgave voor rekening van ged. geschiedde; dat het in 't geheel geen stoppers zijn geweest; dat ged. zich over het bewijs daarvan refereert aan 's rechters oordeel;

dat ged. subsidiair aanbiedt het bewijs ook door getuigen dat de advertenties zijn geplaatst op last en voor rekening van' den eischer;

In rechte:

O. dat de zoogenaamde bekentenis van de ged. eigenlijk bestaat uit twee ontkenningen en ééne bekententis, de laatste betrekkelijk op den post ad f125 salaris loopende over de maand Maart 1892 ;

O dat wel aan die bekentenis was toegevoegd, dat die f 125 betroffen een overeenkomst bij de maand gesloten en niet, gelijk eischer stelde, eene bij 'tjaar aangegaan, maar dit zelfs in't stelsel van eischer daaraan geen afbreuk kan doen, nu blijkens de f 62.50 (de helft van f 125) in de laatste plaats gevorderd, de eischer slechts salaris over de helft dier maand gevorderd heeft, terwijl hij, bel salaris over het jaar berekend, in ieder geval toch recht had op de geheele maand, zoodat hij feitelijk niet meer heeft gevraagd daa als ware hij bij de maand (naar 't- oordeel van ged.) gehuurd; dat derhalve van eene onsplitsbare bekentenis wel geen sprake kan zijn ;

0. nu ten aanzien van den eersten post, de som per resto van f 20 over de maand Febr. 2892, dat blijkens het aangehaald nommer uit de Staatscourant, waarop beide partijen zich beroepen, in art. 5 der Statuten is bepaald, dat de redactie o. a. van hetfinantieele blad 1Os Kapitalist, Dagel. Beursblad voor rekening zou geschieden van de „Effectenbank: Kleine Kapitalist" en zulks op de wijze als vastgesteld zou worden op de algemeene vergadering, terwijl uil de by conclusie van dupliek uitgeschreven notulen volgt, dat op die vergadering, gehouden den 19 Jan. 1892 besloten werd, dat de redactie tot 1 April 1892 voor rekening van de Effectenbank zou blijken;

O. dat mitsdien het salaris van eischer tot 1 April, dus over de maand Febr. de ged. niet aanging; dat wel ook ged. toegeeft dat het tijdstip van de overneming is vervroegd, maar dit naar' de eigen mededeeling van den eischer, die bij dupliek is uitgeschreven, eerst na 22 Febr. 1892, alzoo van af 1 Maart in werking trad, zoodat eischer dit saldo niet van deze ged. kau vorderen, die daarvoor niet aansprakelijk is ;

O. dat de tweede post van f 125 over de maand Maart volledig werd erkend en alzoo is bewezen;

0. met betrekking tot den derden post ad f 62.50, dat luidens het bij post 1 opgemerkte, waar deze, de derde post, loopt over de maand April (nl. tot 14 April), de aansprakelijkheid van ged. om dezelfde reden behoort te worden aaugeoomen en zij zich dan ook alleen op dien grond van de betaling wenscht ontslagen te zien, dat eischer, naar zij stelt, „onverwacht en geheel vrijwillig zijn betrekking heeft verlaten, zeer tot schade van ged."-

O. dat de eischer lot ontzenuwing heeft in 't geding' gebracht bovengenoemden brief van 16 April 1892, mede door ged. besproken, waaronder het evenmin betwist antwoord (van den uitgever van ged.) staat, welke beide brieven dus als één geheel beschouwd en veilig als leiddraad kunnen worden gebezigd •

O. nu, dat die brief van eischer inhoudt: dat hy nog altijd 01 het kantoor bezig is zijn gewone werkzaamheden voort te zetten en hij thans van ged. (haren uitgever) vraagt, of het waar is, dat deze het Beursblad niet meer zal uitgeven, met bijvoeging' dat h'(j (eischer) in dat geval het hem toekomend salaris wenscht te zien uitbetaald;

0. dat bij het antwoord op dien brief die staking der uitgave wordt bevestigd en op een overeenkomst tot vertrekken van eischer (een paar avonden te voren) „eergisteren" wordt gedoeld, met biivoeging dat deze omtrent het hem competeerend salaris nader bericht zou onlvangen ;

0. dat uit die briefwisseling volledig blijkt: a. dat eischer ingevolge getroffen overeenkomst op 14 April 1892 's avonds zou vertrekken en dus niet „onverwacht" den dienst heeft „verlaten" en 6. dat ged. omtrent het gevraagd salaris hoegenaamd geen voorbehoud heeft gemaakt, maar eischer nader bericht omtrent het hem „competeerend salaris'' heeft toegezegd ;

O. dat alzoo zeer zeker aan eischer tot 15 April 1892 salaris toekomt, zoodat óók de post ad f 62.50 hem kan volgen ■

O. dat nu wel ook voor post 1 ad t 20 bewijs door getuigen is aangeboden, maar dit afstuit op art. 1934 B. W. ingevolge het bij dien post opgemerkte ;

0. ten aanzien der by antwoord besproken compensatie, dat waar de eischer de posten geheel heeft ontkend deze, als niet vaststaande, met kunnen genoemd worden „schulden die voor dadelijke vereffening ^liquide) vatbaar z\jn" •

dat het bewysaaubod, dat bedoelde advertenties op last en voor

Sluiten