Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan vecht ik met u" ; dat hij verder heeft gezien, dat P. A. van zijne zitplaats oprees, zich tot den bekl. begaf, dien vastgreep en tegen den grond smeet en daarop heeft gehoord dat P. A. zeide

„sta op en gezien heeft, dat de bekl. opstond ; dat hij vervolgens heeft gezien, dat die beide personen, die voor de tafel stonden, andermaal handgemeen zijn geworden, terwijl de bekl. met zijne

linkerhand A. bij de keel vasthield en met zijne rechterhand tegen

de tafel duwde; dat de bekl. daarop zijne linkerhand naar achter bracht en toen zijn mes voor den dag heeft gehaald en daarmede

met kracht naar P. A., die als het ware tegenover hem stond en

die aan het bovenlijf niets dan een wollen hemd aan had, heeft

gestoken ; dat hij daarna den bekl. heeft hooren zeggen „ik heb den man gedood, maar ik kan het niet helpen"; dat hij vervolgens

heeft gezien dat A„ die eerst hij de tafel bleef staan, door een

ander ondersteund, naar het dek is gegaan, en dat de bekl. voor

A. het matrozenlokaal heelt verlaten;

2°. G. B., matroos aan boord van genoemd stoomschip, dat hij

in den namiddag van den len April 1893, omstreeks 1 uur, zich naar het door den len getuige opgegeven matrozenlokaal heeft begeven om te drinken, terwijl hij reeds te voren, toen hij bezig

was dat stoomschip van buiten te verven had gehoord, dat er in dat matrozenlokaal hevig werd gevloekt, geraasd en gevochten ; dat hij bij het binnenkomen in dat lokaal heeft gezien, dat de bekl. en de matroos K. J. aan het vechten waren ; dat J. op den

grond lag en de bekl. boven op J.; dat J. nadat hij was opgestaan, zich naar den bekl. heeft begeven en hem afgevraagd „waarom valt gij mij aan, wij zijn immers altijd goede vrienden geweest ?" dat de bekl. daarop antwoordde „ik zal u slaan of een ander"; dat daarop de vuurstoker P. A. tegen den bekl. heeft gezegd „als gij vechten wilt, vecht dan met mij", waarop A. na de

tafel verlaten te neDDen, zien tot tien Dejti. oegar, uien vastgreep en tot tweemalen toe tegen den grond smeet en daarop den bekl. met beide handen bij de keel vasthield; dat A. alleen dat matrozenlokaal heeft verlaten, dat hij ook dat lokaal heeft verlaten en buiten dat lokaal A. hulpeloos op den grond zag liggen, waarop hii A heeft opgenomen en op het dek heeft gebracht en toen

gezien heeft dat A.'s lippen wit en de oogen gebroken waren; dat

deze niet meer spreken kon en eene wona in ue Dorst naa, terwijl hij aan het bovenlijf niets dan een wollen hemd aan had; dat hij bij het verlaten van het lokaal den bekl. die aldaar achter bleef, heeft hooren zeggen „van een mes weet ik niets af" en voorts, dat de bekl. destijds in zoodanigen staat van dronkenschap verkeerde. dat hii niet werken kon ;

3°. A. A., timmerman aan boord van gemeld stoomschip, dat

hij in den namiddag van oen len .april io»d, omstreens 1 uur, bij de deur, die toegang geeft tot het door de vorige getuigen opgegeven matrozenlokaal heeft gestaan en gezien, dat de bekl,, J. tot tweemalen toe tegen den grond smeet, daarna de vuurstoker P. A. tegen den bekl. heeft hooren zeggen „ik ben sterk genoeg om je te staan" en vervolgens heeft gezien, dat de bekl. A. die dicht bij hem stond in het gezicht sloeg en dat A. door een ander ondersteund een paar passen vooruit is gegaan en op het dek gebracht, alwaar hij eene wond in diens borst heeft gezien ; dat hij het hem vertoonde mes herkent als het mes van den bekl., hetwelk hij wel eens heeft geslepen en eindelijk, dat de bekl. destijds dronken was, doch niet in hevige mate;

4°. E. G., matroos aan boord van gemeld stoomschip, dat hij ongeveer ten half drie ure in den namiddag van den len April 1893, toen hij op verzoek van den bekl. uit diens slaapstede in het matrozenlokaal wat tabak zou halen en daartoe eene lantaarn gebruikte, in eene ledige slaapstede, naast de slaapstede van den bekl., het hem vertoonde mes heeft gevonden ; dat hij toen heeft gezien, dat zich daaraan versch bloed bevond; dat hij dat mes daarop aan den len stuurman J. M. heeft overhandigd en voorts, dat hij den vorigen avond in eene herberg te Vlissingen van den bekl. dat mes had ontvangen en in dien avond in zijne slaapstede aan boord had nedergelegd;

5°. L. S. D., winkelier wonende te Vlissingen, dat hij zich in den namiddag van den len April 1893, omstreeks 1 uur, heeft bevonden op het dek van gemeld stoomschip en toen in het benedenschip geweldig heeft hooren vloeken, razen en vechten en dat het na den uitroep „I kill the beggar" daar beneden stil is geworden ; dat hij daarop heeft gezien dat iemand, door een ander ondersteund, op het dek is gebracht; dat hij daarop met den stuurman, die inmiddels op het dek was gekomen, dien man heeft onderzocht en bevonden dat deze, die aan het bovenlijf slechts een wollen hemd aanhad, eenen steek recht vóór en in het lijf onder de borst had en dat hij op die wond een kompres heeft neergelegd ; dat daarop die man nauwelijks een half uur daarna is gestorven, dat later op het dek is gekomen de officier van gezondheid J.;

6°. J. W. H. H., koffiehuishouder te Vlissingen, dat hij in den avond van 31 Maart 1893 heeft gezien, dat de bekl. met het hem vertoonde mes, dat hij herkent aan het daaraan aanwezige touwtje, in zijn koffiehuis te Vlissingen heeft rondgezwaaid, welk mes daarop in handen van den matroos E. G., die ook aldaar aanwezig was, is gekomen ;

7°. L. A. H. J„ arts en officier van gezondheid in garnizoen te Vlissingen, als getuige en als deskundige gehoord, dat hij in den namiddag van den len April 1893, omstreeks half twee uur, na door een der matrozen van het Engelsche stoomschip „Elbruz" geroepen te zijn, aan boord van dat stoomschip is gekomen en op het dek een man heeft zien liggen, die stervende was en dan ook na een paar minuten gestorven is; dat uit de wond, welke die man onder de borst had, geen bloed te voorschijn kwam ; dat hij daarop die wond heeft bezien en bevonden, dat die anderhalve centimeter lang was, gladde randen had en zich onder het zwaardvormig uitsteeksel van het borstbeen en rechts van de middellijn bevond • dat die wond met het hem vertoonde mes, zoowel wat de breedte als de lengte betreft kan zijn toegebracht en dat hij daarop aan den kapitein van dat stoomschip heeft medegedeeld, dat die

man overleden was ; ....

8°. J. C. F. commissaris van rijkspolitie te Vlissingen, dat hij in den namiddag van den len April 1893 aan boord van gemeld stoomschip van den kapitein S. B. heeft overgenomen een lijk, hetwelk hij daarop aan den agent van politie te Vlissingen H. A. heeft overgegeven met last om het naar het Gasthuis te Vlissingen over te brengen; 'dat hij vooraf met den kapitein de wond op dat lijk aanwezig heeft bezien en bevonden, dat die wond geheel en al overeenkwam met het gat, dat in het wollen hemd was, dat nog aan het lijk was ; dat de randen van het gat in het wollen hemd met bloed bevlekt waren ; dat hij in den namiddag van dien dag, omstreeks 5 uren den bekl. die een weinig beschonken was heeft aangehouden ; dat hg het ter terechtzitting aanwezige mes van den rechter-commissaris belast met de instructie van strafzaken heeft overgenomen ;

9°. H. A., agent van politie te Vlissingen, dat hij in den namiddag van den len April 1893 van den commissaris van Rijkspolitie te Vlissingen J. C. F., aan boord van het Engelsche stoomschip „Elbruz" een lijk van het mannelijk geslacht heeft overgenomen en naar het Gasthuis te Vlissingen heeft overgebracht, alwaar hij dat lijk aan den officier van justitie heeft overgegeven; dat dat lijk toen slechts van een wollen hemd als bovenkleed was voor¬

zien, in welks hemd zich eene snede bevond, waarvan de randen met versch bloed waren bedekt;

O. dat door het ter terechtzitting voorgelezen ambtseedig procesver¬

baal van den otticier van justitie van den len April 1893 is gebleken, dat de verbalisant in dien namiddag in bet Gasthuis te Vlissingen van den agent van politie te Vlissingen H. A. een lijk van het mannelijk geslacht heeft overgenomen en aan de deskundigen Dr. C. A. D., geneesheer te Vlissingen en J. J. B. v. B., arts te Middelburg, heeft overgegeven ;

O. dat door het ter terechtzitting voorgelezen procesverbaal van den rechter-commissaris belast met de instructie van strafzaken van den len April 1893 is gebleken, dat die ambtenaar het ter terechtzitting aanwezige mes den len April 1893 van J. M„ lsten

stuurman aan boord van het stoomschip „Elbruz" heeft over¬

genomen ;

'O. dat door de ter terechtzitting als getuigen en als deskundigen

ouder eede gehoorde deskundigen Dr. C. A. D., geneesheer te

Vlissingen en J. J. ü. v. ±s., arts te Middelourg, ieder voor zich doch afzonderlijk, op de gronden in het door hen schriftelijk opgemaakte ter terechtzitting voorgelezen verslag, als uitslag van hunne wetenschappelijke beschouwingen hebben medegedeeld, dat het hun op den len April 1893 in het Gasthuis te Vlissingen door den heer officier van justitie ter hand gestelde lijk van het mannelijk geslacht, was dat van eenen sterk gespierden man ; dat de op het lijk aanwezige wond, die zich onder de hartstreek bevond, met een scherp voorwerp dat eene breedte had van ongeveer 2 centimeters is toegebracht en dan ook met het hun vertoonde mes kan zijn toegebracht, zoowel wat de lengte als de breedte betreft; dat die wond eene gestoken wond was en eene lengte had van 13 k 15 cM. die dwars door den voorsten buikwand en de lever heenging om in de lendenstreek te eindigen; dat de oorzaak van den dood is geweest inwendige verbloeding; dat die wond met kracht is toegebracht en steeds doodelijk is ; dat niet alleen op die plaats, maar ook in den geheelen omtrek daarvan iedere soortgelijke verwonding levensgevaarlijk kan zijn ; dat het loopen dat de verslagene even voor het intreden van den dood heeft gedaan, niet van eenigen invloed is geweest op het sterven ; dat ook eerder aangebrachte geneeskundige hulp den dood niet had kunnen voorkomen ;

0. dat de Rechtbank zich met het gevoelen van de deskundigen, steunende op de in het verslag vermelde gronden, vereenigt, het als resultaat van eigen onderzoek overneemt en derhalve als bewezen aanneemt dat de persoon, wiens lijk aan de deskundigen ter onderzoeking overgegeven is, tengevolge van eene verbloeding, veroorzaakt door de gestoken wond, is gestorren ;

0. dat door de verklaringen van den len getuige en door de aanwijzingen, voortvloeiende uit de verklaringen van den 2den, 3den, 4den, 5den en 6den getuige en door het op het verslag der deskundigen berustende eigen onderzoek dier Rechtbank, alles in onderling verband en samenhang beschouwd, wettig en overtuigend. is bewezen, dat de bekl. op den len April 1893 aan boord van het Engelsche stoomschip „Elbruz", hetwelk destijds lag in de binnenhaven te Vlissingen, na met den vuurstoker P. A. in twist te zijn geraakt en vervolgens met hem handgemeen te zijn geworden, hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht

door hem met kracht met een mes van voren in het lichaam onder

de hartstreek eene steek toe te brengen, tengevolge waarvan genoemde A. eenige minuten daarna is overleden;

0. dat beklaagdes raadsman heeft beweerd, dat de bekl. in dien middag in zoodanigen staat van dronkenschap heeft verkeerd, dat hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het door hem in dien toestand gepleegde feit;

0. hieromtrent, dat niet is gebleken dat die dronkenschap van

zoodanigen aard is geweest, dat daardoor de toerekenbaarheid van

den bekl. zou zijn opgeheven ;

O. dat het hiervoren als wettier en overtuigend bewezen aange¬

nomen feit moet worden gequalificeerd: Zware mishandeling, welke den dood tengevolge heeft gehad ;

verklaart den bekl. schuldig aan dat feit;

Gezien de artt. 302. 27 StrafrenV, t alsmede de 9,14. 21f». 5>1Q

Strafvord.:

Veroordeelt den bekl. G. R. hiervoren nader aangeduid te voor¬

melder zake tot eene gevangenisstraf van 4 iaren en in de kosten

van het rechtsgeding uitvoerbaar ook bij lijfsdwang, gedurende

icu langste i uagen ;

Beveelt de teruggave van het voorwern. dat als stuk van over¬

tuiging heeft gediend, na verloop van 8 dagen nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gedaan, tenzij binnen dien termijn daarop onder den griffier beslag zii celegd aan de erven of recht¬

verkrijgenden van den vuurstoker P. A.:

±seveeit de vernietiging van het mes. dat tot het plegen van het

misdrijf heeft gediend ;

Bepaalt, dat de tijd door den veroordeelde voor deze uitsDraak

in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem thans opgelegde tijdelijke gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

kantongerechten

KANTONGERECHT TE OUD-BEIJERLAND.

Beschikking van den 5 Juni 1893.

Kantonrechter, Mr. K. M. Phaff.

Is de kantonrechter bevoegd ambtshalve een bijzonderen curator

ingevolge art. 365 B. W. te benoemen? — Ja.

Behoeft in dat geval een verhoor van bloedverwanten of aange-

nuwuen aen mir.aer/arigen ie wuruen gehouden? Neen.

Wij Kantonrechter enz.:

Gezien een ons ter examinatie en goedkeuring aangeboden concept-akte van scheiding en deeling der nalatenschap van M. van Es, zonder beroep, gewoond hebbende en overleden te Sillaarshoek, gemeente Maasdam, den 8 Febr. 1893 ;

Overwegende dat tot die nalatenschap gerechtigd zijn J. P., P„ G. en S. Herweijer, minderjarige kinderen van J. Herweijer Jz. en zijne echtgenoote L. van Es, en wel na aftrek van legaten te zamen voor twee vijfden in den blooten eigendom ;

0. dat genoemde J. Herweijer Jz., blijkens den ons mede in copie overgelegden inventaris der gezegde nalatenschap door den ambtsdienst van den te Dordrecht resideerenden notaris Mr. J. D. Schultz van Haegen den 18 Febr. 1893 geformeerd, bij het sluiten van dien inventaris ter beschrijving heeft overgelegd, eene in badoelden inventaris woordelijk opgenomen onderhandsche schuldbekentenis groot f 10000, geteekend M. van Es;

dat in die schuldbekentenis wel als oorzaak staat vermeld „spruitende uit deugdelijk geleende en door mij (d. i. de erflaatster) in contanten ontvangen gelden", doch dat er mogelijkheid bestaat

dat de uitgedrukte oorzaak zoude kunnen zijn valsch of dat in het geheel geen oorzaak aan de overeenkomst ten grondslag zonde kunnen liggen ; dat hoe ook de vorige erfgenamen mogen denken over de rechtsgeldigheid der bedoelde schuldbekentenis de genoemde minderjarigen zeker niet tegen die rechtsgeldigheid zullen opkomen indien zij bij de scheiding vertegenwoordigd worden door hunnen vader J Herweijer Jz. voornoemd, welke als schuldeischers

h MShPl • Pr° Se er belanS biJ heeft dat meerbedoelde

schuldbekentenis intact blijve;

0. dat het belang van J. Herweijer Jz. derhalve in strijd is met dat zijner genoemde minderjarige kinderen, medeërfgenamen in de bovengezegde nalatenschap ;

O. dat dezelfde J. Herweijer Jz., blijkens diens eigen verklaring, alle perceelen bouw- of weiland der erflaatster in huur heeft be'

,a" 111 1 «ov- <>eels van af Kerstmis 1883 tegen

een tusschen hem en de erflaatster bepaalden hunrpriis • dat bi' nooit die huur heeft betaald en die niet zoude schuldig 'zijn omdat de erflaatster hem die zoude hebben kwijtgescholden ; '

0. dat deze huurpenningen het aanzienlijk bedrag van'f3628 94 beloopen en de huurder geen enkel bewijs van kwijting of kwijtschelding heeft te berde gebracht, zoodat die verschenen huurpenningen als baten in den staat des boedels moeten voorkomen ;

0. dat ook met betrekking tot het al of niet verschuldigd Lijn dezer huurpenningen, de vader een tegenstrijdig belang heeft met dat zijner minderjarige kinderen, zoodat hij hen niet bij de overgenomen scheiding zal kunnen vertegenwoordigen ■

O. nu dat er grond bestaat voor de benoeming van een bijzonderen curator ingevolge art. 365 B. W.; dat zoodanige benoeming wel in den regel geschiedt ten verzoeke van den vader of andere belanghebbenden, doch dat — waar, zooals ten deze, dat verzoek niet heeft plaats gehad en de voorgenomen scheiding niettemin moet geschieden — die benoeming ambtshalve behoort te worden gedaan ;

dat zich daartegen geen enkel wettelijk voorschrift verzet, terwijl de analogie met de benoeming van een deel-voogd ex art, 1118 2e al. B. W. bij het stilzwijgen der wet aanleiding geeft om de benoeming van den bijzonderen curator te doen zonder het verhoor van de bloedverwanten of aangehuwden der minderjarigen ;

Gezien art. 365 B. W.;

Benoemen tot biizonderen curator ton

" *v" gtuiciuc ujiuuer-

jarigen te vertegenwoordigen bij de scheiding der nalatenschan

van M. van üs voornoemd, Mr. A. A. Moll, advocaat en procureur te Dordrecht.

nederlandsche literatuur

Gratie door Ch. W. Margadant, overdruk uit „het Recht in Nederlandsch-Indië"". Batavia 1892; 67 blz.

In W. 6333 Wfird aan dpv.p Kolannrnlro vorViandolinn» nn» 'x

-— —— ecu uiiaat

ontleend over de rechtstaal in Nederland en Nederlandsch-Indië,

en legeiijKeruju van net gesenrirt van den neer iviargadant eene

nflflprp nnnton1 trincr i(\octoiartA Hnnvki' io Uat mü allnnn j _

—~ ~ —xo utu «-U1J tvnccu te uoen

om met een enkel woord de aandacht der lezers van het Weekblad

ie vestigen op een uitgeDreia artiKei van een in iNeaerlana weinig

Tol oron MoHprlnn^o/>Vi.TnHici»}i oon oct-ilral nr»»»» ...

iijuov-uiiii, vv aui iu een

onderwerp wordt behandeld, waarvan het belang zeker niet tot

ViAt. ffphipH van NTpdprlanHsr«}i.TnHiS io Konortt

~ & —

De schrijver heeft zijne eigen opvatting van de gratie, hij be-

uphnnwt fifliii" mpt ziin non Rmrr tur» An^lnand mnrtr\ _ j

„ „ — .. v "UWCCUU mwuuw uug BLeeUS

als „een gunstbewijs dat aan de souvereiniteit als een schoon

nrnpvrtffotipf is vprhondpn" Von aan nnkl^lr .-nnlit «;«. c

f * ' — puwiic*. icvxiu, uii te ueienen

in het publiek belang, is daarbij geen spraak. Ik heb deze opvatting, die in strijd is met het gevoelen van de meest gezaghebbende nieuwere staats- en strafrechtsleeraars, reeds voor 14 a, 15 jaar jn een ingezonden stuk in W. no. 4275 bestreden, en te minder lust gevoel ik daarop nu terug te komen, omdat de heer Makgadant uit zijne theorie niet afleidt, wat daaruit door anderen wel eens is afgeleid, dat de veroordeelde niet kan worden begenadigd buiten zijn verzoek of althans in strijd met zijn wil. °

Het is natuurlijk onbetwistbaar, dat al, naar mate de straffen zachter zijn, en naar mate de ruimte in de toemeting der s'raf den rechter gelaten, grooter is, de behoefte aan de uitoefening van het recht van gratie zich minder dringend doet gevoelen Daaruit echter af te leiden, dat in Nederland onder het Nederlandsche Wetboek van Strafrecht, dat aan het arbitrium judicis vrijer spel laat dan eenig ander wetboek, de gratie eigenlijk geen recht van bestaan meer heeft, wat het gevoelen schijnt te zijn van Mr. Makqadant, gaat niet op. Vooreerst zijn er nog wel gevallen, waarin, ofschoon in het algemeen de strafposities van ons wetboek niet te zwaar zijn, eene speciale strafbedreiging tot eene onbillijke en toch door den rechter niet te vermijden veroordeeling leiden moet. Men denke b.v. aan art. 308 W. v. Sr. dat niet toelaat bij veroordeeling wegens het daarin omschreven misdrijf eene andere straf dan gevangenisstraf of hechtenis uit te spreken. Maar ten andere, de straf, die op het oogenblik, waarop zij wordt uitgesproken, niet te zwaar, niet te lang is, kan gedurende hare uitvoering blijken toch wezenlijk, als zij tot het einde toe wordt geëxecuteerd, harder te treffen dan rechtvaardig of billijk kan worden geacht. Eindelijk, al kan men in onzen tijd en onder ons wetboek de gratie voor alle andere straffen missen wat ik waarlijk niet toegeef, toch ware haar behoud noodzakelijk voor de veroordeelden tot levenslange gevangenisstraf. Na de uitspraak van die straf, al is zij niet ongeëvenredigd aan de zwaarte vaD het misdrijf, en gedurende den ganschen tijd van hare uitvoering moet voor den veroordeelde het uitzicht op mogelijke gratie blijven bestaan om hem tegen vertwijfeling te behoeden en de mogelijkheid van een hernieuwd zedelijk leven bij hem te bevorderen

Ik verdiep mij verder niet in de theoretische beschouwingen van den schrijver over het recht van gratie, al kan ik mij daarmede niet vereenigen. Hoofdzaak in de verhandeling van Mr. Margadant zijn niet deze beschouwingen, maar is veeleer de nauwkeurige uiteenzetting van het instituut van gratie, zooals het vroeger bestaan heeft en na bestaat in Nederlandsch-Indië. Voor het geldende recht is, gelijk het wordt uitgedrukt op bl. 24 deiverhandeling, art. 52 R. R. (1) de sedes materiae; voor de historische verklaring van dit artikel en de uitvoering, daaraan in de kolonie gegeven, bevat zij zeer belangwekkende mededeelingen en beschouwingen.

Art. 48 van het Ontw. R. R„ zooals het bij Koninklijke Boodschap van 15 Dec. 1853 der Tweede Kamer werd aangeboden (2) gaf den Gouverneur-Generaal in zeer algemeene termen „het regt

(1) Wet van 2 Sept. 1854, 5(4/. no. 129.

(2) Hand. 1853- 54, Bijl., bl. 351 vgg.

Sluiten