Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 31 Juli 1893.

N°. 6364.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 19 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefstino.

Raadsbeeren, Mrs.: A. A. de Finto, A. J. Clant van der Mijll, B. H. M. Hanlo, S. M. S. de Kanitz, E. W. Guljé en A. M. van Stipriaan Luïscics.

De verklaring van een getuige dat de hem vertoonde koffie behoort tot eene zekere soort en overeenkomt met door hem vroeger bezichtigde koffie, bevat niets wat niet persoonlijk door hem kan zijn waargenomen.

Evenmin is dit het geval met de verklaring van een getuige, dat het hem bekend is, dat tusschen twee andere personen eene overeenkomst van vervoer van goederen bij abonnement is gesloten.

Het staat niet ter beoordeeling van den rechter in cassatie wat uit het procesverbaal der terechtzitting blijkt omtrent de opgaven van den beklaagde.

Het misdrijf van verduistering was in het aan 's raads oordeel onderworpen geval voltooid uiterlijk op hei oogenblik, dat de beklaagde over het door hem niet-toebehoorende goed als eigenaar beschikte door het te koop aan te bieden aan een ander.

J. N. v. C., volgens zijne opgave oud 44 jaren, van beroep koopman, geboren te Groningen, wonende te Amsterdam, is req. van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 Maart 1893, waarbij, met vernietiging van het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam van 11 Jan. 1893, voor zooveel betreft de hem opgelegde straf, die door het Hof is gesteld op 8 maanden gevangenisstraf, de kosten van het rechtsgeding in hooger beroep te dragen door den Staat, overigens is bevestigd gemeld vonnis, bij hetwelk hij is schuldig verklaard aan heling,

door opzettelijk eenig üoor misdrijf verkregen goed te koopen, en te dier zake met toepassing van art. 421, le lid, Strafrecht, benevens de artt. 214, 215 en 219 Strafvord., veroordeeld tot gevangenisstraf van een jaar en in de helft der kosten van het rechtsgeding, invorderbaar by lijfsdwang gedurende ten hoogste 3 dagen met bevel tot teruggave van de overtuigingsstukken aan de in het vonnis genoemde personen;

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer de Pinto, en de advocaat van den req. Mr. L. W. van Gigch, uit Amsterdam (ie voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.'gen. PatiJN de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren 1 Bij een in hoofdzaak in hooger beroep bevestigd vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam werd req. schuldig verklaard aan „heling11.

Tegen dat vonnis zijn bij pleidooi aangevoerd 4 middelen van cassatie.

Het eerste luidt: Schending van art. 391 in verband met art. 398 Strafvordering, op grond :

I. dat in de 10e overweging van het vonnis het wettig bewijs mede is geput uit de verklaring van den getuige F. G., welke verklaring echter ten deele niet inhoudt hetgeen door getuige zelf gehoord, gezien en ondervonden is, doch eene bijzondere meening of gissing bij redeneering opgemaakt, en wel deze:

a. waar die getuige verklaard heeft, dat hij gezien beeft 2 balen inhoudende -Santos-koffie, terwijl omtrent de vraag of de bedoelde koffie tot de Santos-soort behoorde alleen door deskundigen zou kunnen worden verklaard,

b. waar die getuige verklaard heeft dat de expediteurs K. en O., bij de Maatschappij „Amsterdamsch goederenvervoer" voor de bestelling der met zekere boot aan te voeren goederen geabonneerd waren, iets, hetwelk de getuige alleen de audilu kan weten.

II. dat in dezelfde 10e overweging evenzeer is recht gedaan op de verklaring van den getuige J. K., die

a. evenmin als de vorige getuige uit eigen waarneming kan verklaren, dat de in zijn bijzijn geloste koffie was Santoskoffie en

b. ook niet anders dan als deskundige kon verklaren dat de zak gevuld was met eene koffiesoort, die overeen kwam met de Vermiste soort koffie.

Bij het stellen van dit middel heeft pleiter zich schuldig gemaakt aan de fout, die zoo vaak begaan wordt, waar in cassatie schending van de 'in het middel genoemde artikelen gesustineerd wordt t. w. dat zooals de H. R. reeds zoo dikwijls besliste (men zie de arresten vermeld bij TkixeiRA de Mattos op art. 434 sub 13 en bij van Praaq's herzien Wetb. v. Strafv., op art. 398) om de beweerde schending te kunnen aannemen, niet voldoende is de mogelijkheid dat een testimonium de audilu, of eene meening of gissing als bewijsmiddel is aangenomen, maar moet zijn aangetoond dat een verboden bewijsmiddel is gebezigd. Deze leer werd ook gehuldigd bij arresten van lateien tijd: men zie b. v. die van 6 Mei 1889, Weekbl. no. 5717, 17 Juni, Weekbl. no. 5740, en 7 Nov. 1892, Weekbl. no. 6262.

Vraag ik mij nu af of de getuigen in deze hetgeen ze verklaarden door de zinnen hebben kunnen waarnemen dan luidt het antwoord bevestigend. Ten deele verklaren getuigen, dat zij het gezien hebben, maar al ware zulks niet het geval, dan herinner ik aan 's Hoogen Raads arrest van 25 Juni 1888 (Weekbl. no. 5593) waarbij beslist werd dat het niet noodig is, dat uit het vonnis blijkt, dat de verklaringen der getuigen op eigen waar¬

neming berusten, maar dat het voldoende is, dat zij de feiten, i waaromtrent zij verklaringen hebben afgelegd, persoonlijk hebben

kunnen waarnemen, en al moge het nu om te kunnen zien, dat zekere koffie is &an/og. koffie noodig zijn eenige kennis van koffie te bezitten, daarom wordt een pertinent daaromtrent door een getuige afgelegde verklaring nog niet eene meening, bij redeneering opgemaakt, (men zie omtrent zoodanig oordeel *s Hoogen Raads arrest van 8 April 1878, Weekbl. no. 4239, v. d. Honert Strafz. 1878 blz. 91). Dat men het kan zien volgt bovendien uit de verklaring van den ter terechtzitting als deskundige gehoorde per* soon, dat de Santos-koltie zich door zijne lichtere kleur van de blauwachtig gekleurde ./a>;a-koffie onderkennen laat.

Hetzelfde geldt van de verklaring dat zekere den getuige vertoonde koffie, overeenkomt met de vermiste koffie. Getuige kon het als gevolg van eigen waarneming verklaren, zooals in casu blijkt uit zijne mededeeling „dat bovenop in de zak een weinig donkerder gekleurde koffie lag".

Eindelijk de verklaring van getuige K. omtrent het abonnement bij „Amsterdamsch goederenvervoer". Zou getuige dit niet door eigen waarneming kunnen weten? Wanneer men bedenkt, dat die getuige als lichterschipper in dienst is bij genoemde expediteurs en wel van het lichterschip van de Rotterdamsche nachtboot, waarvan door genoemde Maatschappij de goederen besteld werden is het dan zoo zeker dat — zooals het middel stelt — getuige het alleen de auditu kon weten ? Kan hij niet by het sluiten van het abonnement tegenwoordig geweest zijn ? Kan het zelfs niet door zijn intermediair zijn tot stand gekomen.

Hoe het zij, aangetoond is er niet —- en zulks zou volgens uwe jurisprudentie noodig zijn — dat van een verboden bewijsmiddel is gebruik gemaakt.

Het tweede middel luidt: Schending van art. 211, j°. artt. 221 en 223, en 391 Strafvord. door ter constructie van het wettig bewijs van het „feit, dat bekl. opzettelijk wetende, dat de koffie, welke hij kocht, door misdrijf was verkregen" in de 8e overweging in fine in verband met het vermelde in de 10e overweging

als bewezen aan te nemen: „dat hem de baal in voege voormeld tekoop is aangeboden, wel verre van hem gerust te stellen, integendeel op zich zelve beschouwd, geschikt was om hem wantrouwen tegen bekl. B. in te boezemen, daar hij van C. moest hebben ee-

weten, „dat knechten van het Amsterdamsch Goederenvervoer geen kooplieden in koffie zijn" terwijl de rechter niet opgeeft of en uit welke wettigi bewijsmiddelen die belangrijke omstandigheid bewezen wordt geacht, zoodat die omstandigheid is en blijft eene door niets gestaafde bijzondere meening des rechters.

Ook dit middel komt mij ongegrond voor. Wij hebben hier niet te doen met eene eigenlijk gezegde aanwijzing, maar met eene overweging in het vonnis, waarin de rechter formuleert, waarom hem eene door den bekl. aangevoerde verdediging onaannemelijk voorkomt en waarbij de rechter niet aan de regelen van het bewijs is gebonden.

Dat bekl. de koffie van B. gekocht had staat vast, maar hij beweerde bij dien koop te goeder trouw te zijn geweest, o. a. omdat hem de koffie op klaarlichten dag door een koetsier van de Maatschappij „Het Amsterdamsch Goederenvervoer" meteen bespannen wagen van die Maatschappij werd te huis gebracht, en op deze verdediging heeft de in het middel genoemde overweging betrekking en nu is de rechter m. i. alleszins bevoegd om uit die omstandigheid de gevolgtrekking te maken in de overweging geformuleerd, waarbij hij motiveert, waarom hem de door den bekl. aangevoerde verdediging niet afdoende voorkomt.

Het derde middel luidt: Schending van de in het tweede middel genoemde artikelen:

a. Door ten aanzien van den 2e bekl. niet te overwegen of en uit welke bewijsmiddelen bewezen is dat de door hem gekochte baal koffie door verduistering was verkregen. Immers daaromtrent — zoo stelt het middel — komt geen enkele overweging ten aanzien van dien 2en bekl. voor. Moet men dus aannemen, dat de rechter het door „misdrijf verkregen zijn" bewezen acht door hetgeen voor den len bekl. is overwogen, dan is dat bewijs voornamelijk geput uit diens bekentenis, en is dus die bekentenis ten nadeele van den 2en bekl. req. gebezigd.

b. terwijl uit het procesverbaal der terechtzitting van de Rechtbank blijkt, dat de le bekl. den verkoop aan den 3en bekl. niet heeft erkend, doch alleen heeft opgegeven die baal aan dezen te hebben afgegeven.

Ik moet verklaren, dat ik de porté van het tweede gedeelte van het middel in dit cassatie*beroep niet begrijp.

Aan den 2en bekl., nu req., was ten laste gelegd dat hij de koffie had gekocht en dit feit waarop het voor hem aankomt is door zijn eigen bekentenis ter terechtzitting: „dat hij de bedoelde baal ^koffie van den bekl. B. heeft gekocht en met f 25 betaald" naar eisch van rechten bewezen. Hoe dus de in het middel genoemde artikelen door het vonnis, voorzooveel de veroordeeling van dezen req. betreft zouden zijn geschonden is mij niet duidelijk.

Van meer gewicht acht ik het le ged. van het middel, en hoewel ik het vonnis, ten aanzien van het bewijs van schuld van de 2en bekl. gaarne scherper geformuleerd zou hebben gezien zoo meen ik toch tegen het middel te mogen aanvoeren dat ons art. 461 evenmin als § 259 D. Strafges. B. verlangt dat de heler wete door welk misdrijf het door hem geheelde is verkregen en moet alleen vaststaan dat hij weet dat het door hem gekochte door misdrijf was verkregen. Zoo wijst Olshadsen ad §, pg. 1069 er op, dat de rechtspraak in Duitschland „darüber einverstanden (ist) dasz die Kentnisz, mittels welcher strafbaren Handlung die Sachcn erlangt seien, zu den subjektiven Merkmalen der Partirerie ebensowenig gehore wie die Kentnisz des Thaters, der Art der naheren Einzelheiten und Umsiande der Straftbat" en pg. 1061 schrijft hij : „Mittels welcher Strafb. Hdlg. der dritte die Sache erlangt habc, braucht nicht festgestellt zu werden ; uur das darf

die Feststellung nicht zweifelhaft lassen, dasz die Sache überhaupt mittels einer strafbaren Handlung erlangt worden sei".

Bij een vonnis nu als het onderhavige waarbij aan den eenen bekl. diefstal of verduistering en den andere heling wordt ten laste gelegd is het zeker noodig dat ten aanzien van dien eersten bekl worde beslist aan welk misdrijf deze zich heeft schuldig gemaakt maar staat dit eenmaal ten aanzien van den 2en bekl. objectief

io ut. oiictu uug maar noooig, aat Dewezen worde dat deze geweten heeft, dat het door hem gekochte door misdrijf was verkregen.

Zulks nu is in casu geschied. In het eerste gedeelte wordt bewezen verklaard dat de le bekl. zich aan verduistering van de koffie had schuldig gemaakt en nu wordt voor het bewijs, dat de 2e bekl. wist dat die koffie door misdrijf was verkregen alleen gebruik gemaakt van de aanwijzingen geput uit diens bekentenis en de verklaringen der ter terechtzitting gehoorde getuigen en deskundigen. Gebrek aan motiveering kan het vonnis niet met grond worden verweten en van de bekentenis van den len bekl is voorzooveel dit bewijs betreft, ten nadeele van den 2en bekl! geen gebruik gemaakt.

Rest het vierde middel luidende: Schending van art. 416 Strafrecht in verband met de artt. 321, 47 en 48 van hetzelfde Wetboek.

De rechter — zoo stelt men — aannemende dat de le bekl. de baal koffie door vergissing op zijn wagen heeft gekregen moet dus tevens aannemen dat de verduistering is geschied, door verkoop aan den 2en bekl. en bij dien verkoop, doch dan heeft de daad van dien 2en bekl. plaats gehad gelijktijdig met het voltooien van het delict en kon nooit zgn begunstiging.

Ik geef pleiter toe dat er vooral bij heling van door verduistering verkregen goed gevallen kunnen voorkomen, waarin de grens tusschen medeplichtigheid aan verduistering en begunstiging uiterst moeilijk is te trekken, maar men verlieze toch niet uit het oog 1°. dat in afwijking van het bepaalde in art. 62 C. P. heling in ons Wetb. niet meer beschouwd wordt als medeplichtigheid aan

een ander misdrijf mnnr «1« ro„ -rolfctonrlirr rrticHriif O" A „

— -j f . Ual

het moment van de voltooiing van het misdrijf kan samen vallen met het plegen van het misdrijf van begunstiging. „Eine Sache sei aucb dann durch eine strafb. Hdlg. erlangt, wenn die Vollendung der vermittelnden Strafthat durch den Akt der Partirerie selbst erfolge oder mit erfolge". zooals Olshadsen 11. pag. 1060 leert.

In casu nu was m. i. het misdrjjf van verduistering voltooid op het oogenblik waarop de le bekl. over de baal koffie als heer en meester beschikte ; d. i. toen hy die baal aan den woning van den 2en bekl. afleverde. Door het betalen van den koopsom door dezen ontstond voor hem het misdrijf van begunstiging een misdrgf, waarvoor in ons Wetb. eene bijzondere strafbepaling be-

Ook het vierde middel mij alzoo ongegrond voorkomende, heb ik de eer te concludeeren tot verwerping van het ingesteld beroep met veroordeeling van den req. in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, voor den req. aangevoerd bij pleidooi:

I. Schending van art. 391 in verband met art. 398 Strafvord op grond:

1°. dat in de 10e overweging van het vonnis der Rechtbank het wettig bewijs mede is geput uit de verklaring van den getuige F. G., welke verklaring echter ten deele niet inhoudt hetgeen door den getuige zelf gehoord, gezien en ondervonden is doch eene bijzondere meening of gissing by redeneering opgemaakt' en wel: '

a. waar die getuige verklaard heeft, dat hij heeft gezien 2 balen, inhoudende Santos-koffie, terwyi omtrent de vraag of de de bedoelde koffie tot de Santos-koffie behoorde, alleen door deskundigen zoude kunnen worden verklaard ;

b. waar die getuige verklaard heeft dat de expediteurs K. en O. by de Maatschappij „Amsterdamsch Goederenvervoer" voor de bestelling der met zekere boot aan te voeren goederen geabonneerd waren, iets hetgeen de getuige alleen de audilu kan weten ;

2°. dat in dezelfde 10e overweging evenzeer is recht gedaan op de verklaring van den getuige J. K., die

o. evenmin als de vorige getuige uit eigen waarneming kan verklaren, dat de in zijn bijzijn geloste koffie was Santos-koffie, en

b. ook niet anders dan als deskundige kon verklaren dat de zak gevuld was en ter audiëntie gevuld is met eeue koffie-soort die overeenkwam met de vermiste soort koffie ;

II. Schending van art. 211 Strafvord. in verband met de artt. 221 en 223 en in verband met art. 391 van hetzelfde Wetboek, door ter constructie van het wettig bewys van het feit, „dat beklaagde v. C. (de req.) opzettelijk, wetende dat de koffie, welke hij kocht, door misdrijf was verkregen", in de 8e overweging in fine in verband met het vermelde in de 10e overweging als bewezen aan te nemen de omstandigheid: „dat hem, v. C.; de baal in voege vermeld te koop is aangeboden, wel verre van hem gerust te stellen, integendeel op zich zelve beschouwd geschikt wa3 om hem wantrouwen tegen bekl. B. in te boezemen, daar hij v. C., moet hebben geweten dat knechten van het Amsterdamsch Goederenvervoer geen kooplieden in koifie zijn"; terwijl de rechter niet opgeeft of en uit welke wettige bewysmiddelen die belangrijke omstandigheid bewezen wordt geacht, zoodat die omstaudigheid is en blijft eene door niets gestaafde bijzondere meening des rechters;

kelen1' S°hendlDg Tan de in het tweede middel genoemde arti-

o. door ten aauzieu van den 2un bekl. niet te overwegen

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl n° 124)

Sluiten