Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rechtdoende:

VerleeDt de gevraagde akte ;

Vernietigt het beroepen vonnis op de 3 hierboven bedoelde punten en te dien opzichte op nieuw rechtdoende;

Verklaart het in len aanleg aangeboden getuigenbewijs toelaatbaar, doch passeert dit, mitsgaders het in hooger beroep aangebodene, als niet ter zake dienende en afdoende:

Veroordeelt den ged., thans app., om bij gebreke van binnen de 8 dagen na beteekening van dit arrest de door hem gemaakte holten dicht te maken en den muur in zijn vorigen staat te herstellen, aan den eischer, thans geint., te betalen eene som van f 10 voor elke holte;

Ontzegt eiken verderen eisch tot vergoeding der schade door de onrechtmatige daad van H. aan de R. zullende zijn berokkend;

Bevestigt bet beroepen vonnis op de overige punten ; En veroordeelt den app. in de kosten van het hooger beroep.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 10 April 1893.

Voorzitter, Mr. J. A. Vaii.i ant.

Rechters, Mrs.: E. Feith en Th. J. Hoppe.

Actie tot handhaving in het bezit.

Het bezit van een strook grond, een slop vormende tusschen twee huizen, gaat niet verloren door de omstandigheid dat hij, die het bezit uitoefent, voor dat slop een muurtje van twee nieter» hoogte heeft doen plaatsen om het gezicht in dat slop weg te nemen en te beletten dal zijn kinderen daarin liepen.

J. L. B. Gribling, grondeigenaar, wonende te Maassluis, eischer, advocaat en procureur Mr. J. Knottenbelt, tegen

M. J. Bruigom, metselaar en grondeigenaar, wonende te Delft, gedaagde, advocaat en procureur Mr. Mart. Tels.

De Rechtbank enz.;

Gehoord de partijen in hare conclusiën en pleidooien:

Gezien de stukken van het geding alle voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bepaald:

1°. een exploot uitgebracht ten verzoeke van den gedaagde dd. 17 Oct. 1891, inhoudende eene sommatie aan den eischer;

2°. een voor eensluidend afschrift uitgegeven vonnis door den griffier dezer Rechtbank dd. 23 Mei 1892, waarbij de eischer werd toegelaten tot getuigenbewys als daarin nader omschreven ;

3°. een voor extract-conform door meergenoemden griffier afgegeven procesverbaal dd. 18 Oct. 1892, houdende het verhoor van 6 ten verzoeke van den eischer gedagvaarde getuigen;

4°. een voor eensluidend afschrift door dienzelfden griffier afgegeven procesverbaal dd. 24 Nov. 1892, houdende het verhoor van 4 ten verzoeke van den ged. gedagvaarde getuigen;

-Wat de feiten aangaat:

Overwegende dat deze geacht kunnen worden alhier te zijn ingelascht, zooals die in het bovenvermelde vonnis van 23 Mei 1892 zijn omschreven en waarnaar alzoo uitdrukkelijk wordt verwezen;

U. uat nadat naar aanleiding van dat vonnis op den 18 Oct. 1892 ten overstaan van den daartoe benoemden rechter-commissaris Mr. E. Eeith, 6 getuigen ten verzoeke van den eischer en op den 24 Nov. 1892 ten overstaan van dienzelfden rechter-commissaris 4 getuigen ten verzoeke van den ged. waren gehoord, de eischer onder persistit bij de ten principale genomen conclusiën, heeft doen zeggen, dat de feiten, tot welker bewijs hij is toegelaten, door de zijnerzijds gehoorde getuigen volledig bewezen zijn, en dat dit bewijs door de van de zijde des gedaagden gehoorde getuigen niet alleen niet ontzenuwd, maar in verschillende opzichten zelfs nog versterkt is ;

O. dat de ged. na de gehouden getuigenverhooren, onder persistit bij zijne vroegere conclusiën, nog heeft doen aanvoeren, dat hij overtuigd is dat het getuigenverhoor voor den eischer al zeer ongelukkig is uitgevallen, daar vaststaat dat eischer niet was in het feitelijk bezit van de ten processe bedoelde strook gronds, integendeel die strook voor hem niet anders toegankelijk was dan door overklimming over een muur circa 2 meter hoog, en zoowel nu als vroeger van zijn eigendom was afgescheiden, zoodat van het slagen eener door eischer ingestelde bezitactie geen sprake meer zijn kan, terwijl bovendien ook des gedaagden titel van aankomst reeds er op wijst, dat hij nimmer in het bezit van gemelde strook gronds is geweest;

Wat het recht betreft:

0. dat bij meerbedoeld interlocutoir vonnis van den 23 Mei 1892 aan den eischer een aantal feiten, welke den rechter zijn voorgekomen als ter zake dienende en afdoende te zijn, door getuigen te bewjjzen zijn opgelegd, en dat het derhalve de vraag is of die feiten kunnen geacht worden door de verklaringen der getuigen aan zijde van den eischer gehoord, niet ontzenuwd door die der ten verzoeke van den ged. gehoorde getuigen, voldoende te zijn bewezen, in welk geval de vordering aan den eischer zal behooren te worden toegewezen ;

0. dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, daar de feiten, aan den eischer te bewijzen opgelegd, alle als bewezen kunnen worden aangenomen, en wel feit I, luidende: dat de ten processe bedoelde strook grond, deel uitmakende van het kadastrale perceel gemeente Maassluis no. 2677 zonder afscheiding aansluit aan de plaats, zich bevindende achter des eischers woonhuis op dat kadastrale perceel staande, door de verklaringen der getuigen Th. van der Doll, J. Uleman, A. Uleman en Th. E. Van der Staay;

feit II, luidende; dat die strook grond alleen van bedoelde plaats des eischers toegankelijk en overigens naar alle zijden voör !r ifj"'er dan de eischer afgesloten is, door de verklaringen ïerzelfde getuigen, bevestigd door de verklaringen der aan zijde van den ged. gehoorde getuigen G. van der Kaaden, "W. A. van oek en G. Vogelenzang, die ieder voor zich en afzónderlijk veraard Lebben, dat de toegang tot die strook grond voor ged. niet anders mogelijk was dan door te klimmen uit een raam aanwezig in diens muur;

feit III, luidende : dat de eischer in die strook grond te zijnen koste een riool heeft doen leggen, gedekt met blauwe tegels en daarboven heeft doen optrekken een schoorsteen en doen aanbrengen pomp en privaatpijpen, door dc verklaringen der reeds meermalen genoemde getuigen Th. van der Doll J Uleman, A. Uleman en Th. F. van der Staay; '

feit IV, luidende: dat de eischer steeds geheel naar eigen goedvinden, zoo dikwijls hij dit noodig acht, naar de voormelde werken, zich in en boven die strook bevindende, laat zien, die laat schoonmaken en herstellen, wanneer hij dat noodig acht, door de verklaringen dierzelfde getuigen ;

feit V, luidende: dat vóór de stoornis in het bezit, waarover ten processe geklaagd wordt, niemand dan de eischer eenig werk

in, op oi over ae strooK grond had dan de eischer, door de verklaringen van de zooeven genoemde getuigen, waarbij nog gevoegd kan worden de verklaring der ten verzoeke van den eischer gehoorde getuigen A. Rademaker en A. Mus, die ieder voor zich en afzonderlijk verklaard hebben, dat de eischer, toen 't perceel 't welk thans tot zijn woonhuis dient en een achter diens wonine

1 1 * 1 i . . , . °

gcicgcu peiueei, m eene nana en wei in die van den eischer ge-

AVIUCU waren, ue poort, weme zich destijds aan het einde van de meerbedoelde strook grond bevond, naar de voorzijde nabij de Noordvliet heeft doen verplaatsen, terwijl die poort gesloten werd met een sleutel, welke in het bezit van den eischer was ;

0. dat de bewering van den ged., dat uit de titels van aankomst reeds zou blijken, dat de eischer nimmer in het bezit van gemelde strook grond is geweest, onjuist is te achten, omdat die titels betreffen den eigendom van daarbij door den eischer gekochte perceelen, terwijl in casu niet eene vordering, het eigendomsrecht van den eischer rakende, is ingesteld, maar eene actie tot handhaving in het bezit van eene strook grond, behoorende bij eischers kadastrale perceel no. 2677, terwijl bovendien de titels melding maken van een huis en erf, belend ten oosten een gemeen slop, alsmede van een huis en erf, bleekveld en tuin, staande en gelegen aan de noordzijde van de Noordvliet en westzijde van het Kalkslop of de Korte Boonestraat te Maassluis, voor het geheel belend ten oosten J. van Veen, de erven H. Poot, de Korte Boonestraat en nagemelde buurslop, met het recht van vrijen doorgang in het gemeenschappelijk buurslop, leidende van en naar de Noordvliet en het achterste gedeelte van het verkochte ;

0. dat de meening van den ged., dat de eischer niet zou zijn in het feitelijk bezit van meerbedoelde strook gronds, omdat die voor hem niet anders toegankelijk was dan door overklimming over een muur circa 2 meter hoog, en zoowel nu als vroeger van zijn eigendom was afgescheiden, welke meening door hem is uitgesproken in zijne na den afloop der getuigenverhooren genomen conclusie, in strijd is met de sommatie van den ged., uitgebracht den 17 Oct. 1891, waarin deze doet zeggen dat de eischer heeft goedgevonden om in den jare 1884 van het in die sommatie nader omschreven buurslop het grootst gedeelte te bebouwen, en daarin op te trekken onder anderen 2 schoorsteenen alsof het zijn eigendom ware;

0. voorts dat uit de omstandigheid dat de meermalen genoemde strook gronds voor den eischer niet anders toegankelijk is dan door overklimming over een muur geplaatst tusschen die strook en de achter de woning van den eischer gelegen plaats, niet mag worden afgeleid dat de eischer niet was in het feitelijk bezit van die strook grond en dat hy dat bezit zou hebben verloren of zich daarvan hebben ontdaan, omdat uit de verklaringen der getuigen Th. van der Doll, J. Uleman en A. Uleman is gebleken, dat die muur is geplaatst op last en voor rekening van den eischer met de bedoeling om het leeliike gezicht, hetwelk men van de plaats

in het slop had, weg te nemen en ook om te beletten dat de kinderen van den eischer in het slop zouden loopen; terwijl het voor de uitoefening van het bezit met het oog op den aard daarvan geenszins wordt vereischt dat de toegang op bovenbedoelde plaats zoude moeten open blijven en er geen muur zoude mogen staan, daar toch de eischer in die strook grond een riool heeft liggen en daarboven heeft doen optrekken een schoorsteen alsmede doen

aanbrengen pomppypen ;

0. dat vermits alle aan den eischer te bewijzen opgelegde feiten voldoende naar rechten zijn bewezen, en de ged. niet ontkend heeft de bij dagvaarding en conclusie van eisch vermelde feiten, waardoor de eischer in het bezit van de strook gronds is gestoord, te hebben gepleegd of doén plegen, de vordering van den eischer voor toewijzing vatbaar is;

Gezien de artt. 585 en vlg. B. W., 53 onder no. 9 en 56 B. R.;

Rechtdoende:

Veroordeelt den ged. om de in de dagvaarding en conclusie van eisch nader omschreven stoornis in het bezit des eischers van de voormelde strook grond, behoorende bij het kadastrale perceel Maassluis no. 2677, te doen ophouden en mitsdien binnen 14 dagen na de beteekening van dit vonnis weg te breken en weg te ruimen, alles wat hij op en over die strook heeft aangebracht, zooals dat in die dagvaarding en conclusie van eisch staat omschreven J

Machtigt den eischer om, indien de ged. met een en ander in gebreke mocht blijven, dit zelf te doen bewerkstelligen ten koste des ge Jaagden, zoo noodig geholpen door den sterken arm van justitie of politie, des dat de ged. de kosten zal hebben te betalen op de eenvoudige overlegging der quitantiën van de door eischer betaalde kosten;

Handhaaft den eischer in het bezit van meergemelde strook gronds ;

Verklaart dit vonnis voor zooverre uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep ot andere voorziening ;

Veroordeelt den ged. om aan den eischer te vergoeden alle kosten, schaden erf interessen door dezen door de voorzegde stoornis in zijn bezit reeds geleden of nog te lijden, nader op te maken by staat en te vereffenen volgens de wet;

Veroordeelt eindelijk den ged. in alle kosten van het geding, ook die gereserveerd bij het interlocutoir vonnis van 23 Mei 1892.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 27 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. S. J. A. van Walchren.

Rechters, Mrs.: W. A. 'tHooft en J. de Clercq van Weel.

Is de met den gefailleerde in gemeenschap ucw goederen gehuwde en hangende het faillissement van hem gescheiden vrouw bevoegd tegen den curator eene vordering tot scheiding en deeling der gemeenschap in te stellen f — Niet beslist.

De curator kan in zoodanig geding niet als verweerder optreden zonder machtiging van den rechtercommissaris in het faillissement.

Bij gebreke daarvan mag niet gelet worden op de verklaring van den gedaagden curator, in zijne akte van procureurstelling, dat hij afstand doet van de exceptie van nietigheid van dagvaarding wegens het nietinachtnemen van den welttïijken termijn.

J' LVt £e®chejden echtgenoote van J. v. d. L., eischeres procureur Mr. A. J. van Thiel, ^

tegen

den curator in het faillissement van J. v. d. L. Mr. CJP' gedaagde, procureur Mr. C. J. Prins. ' r*ns,

De officier van justitie Jhr. Mr. Rethaan MacarÉ nam in deze zaak ter terechtzitting van 20 Juni 1893 de volgende con-

Edel A.chibare Heer en I

In deze zeker hoogst zeldzame en misschien in dezen vorm noz nooit voorgekomen procedure stelt de met den gefailleerde in se-

VT . ,goederen g<*™de en hangende het faillissement van hem gescheiden vrouw eene vordering tegen den curator in tot scheiding en deeling der gemeenschap.

Is zoodanige vordering in het algemeen ontvankelijk ?

Is ze dit speciaal in het onderhavige geval ? Ziedaar! twee vragen van wier beantwoording m. i. het lot dezer actie afhangt.

Ik meen beide vragen ontkennend te mogen beantwoorden

Uns failhssementsrecht wortelt in art. 1177 B. W. Daarbij wordt het geheele vermogen van den gefailleerde ten bate van al zijne crediteuren met beslag belegd en, zoo geen accoord tot stand komt, ten bate van alle crediteuren op de bij de wet voorgeschrevene' wijze door den curator vereffend.

, ^ °P ^it stuk zeer duidelijke bepalingen van art. 880 sqq.

U t . v. K. blijkt, dat, waar er, gelijk in casu, gemeenschap van goederen tusschen den gefailleerde en diens vrouw bestaat, alle tot die gemeenschap behoorende goederen tot de failliete massa behooren.

Krachtens art. 770 W. v. I£. heeft de man juist door het faillissement de beschikking over die goederen verloren.

Eene actie tegen hem gericht tot het verkrijgen van scheiding en deeling der gemeenschap zou dus geen gevolg kunnen hebben om de even eenvoudige als afdoende reden, dat waar alles ten bate der crediteuren van de gemeenschap in beslag is genomen er absolunt niets meer tusschen de echtgenooten te scheiden of te deelen blijft.

Kan de vrouw nu echter, gelijk eischeresse meent, de actie die zij hangende het faillissement niet meer tegen haar man kan richten tegenover den curator geldend maken ? '

Is de curator als vertegenwoordiger der crediteuren in dien zin de successor universalis van den gefailleerde, dat hij geacht moet worden nu qq. de gemeenschap van goederen met de vrouw voort te

zetten ? — en is hii nn r taande ht»r fniiiicUamnn»

v uic gemeenschap

door de uitgesproken echtscheiding is ontbonden, verplicht tot schei-

riinor rrpmonnüiik1.n ™ i O *

f> lliCUC l/C W Cl KCIl f

Mij dunkt reeds het stellen dezer vragen brengt hare beanr. woording mede.

Neen 1 de curator is nier. nnnhnnoiia

. — uCLl ueiaiueerae hij is de vertegenwoordiger van de gezamenlijke crediteuren die het geheele vermogen van Hpn

, ... fewanitciuc uuaiuuuer ane tot

de gemeenschap behoorende goederen gerechtelijk hebben in beslag genomen, ten einde dit te vereffenen en uit de opbrengst hunne schuldvorderingen te verhalen pm /i;an

!-■ Hb J1V.U Viuuunuc ÏCIUJU^eUS-

rechten van den gefailleerde uitoefenen, die voor die vcreffenina

nrrnii shrtn* mon» _• . • i < • .

-v», uic overigens in geen enttei opzicht te beschouwen zijn als de opvolgers van den gefailleerde. Eene actie tot scheiding tegen den curator heeft dus geen zin, omdat er geen gemeenschap van goederen bestaat of bestaan heeft tusschen de gezamenlijke crediteuren en dc vrouw. Toewijzing van zoodanige actie zou er trouwens toe leiden, dat de helft van het in beslag genomen vermogen aan het faillissement onttrokken en op andere wijze geliquideerd wordt, zonder dat daarbij aan de crediteuren die waarborgen voor eene gelijke behandeling wordt gegeven, die de wet huu juist door de faillissements procedure heeft willen verzekeren. Acht ik dus in het algemeen de ingestelde actie nietontvankelijk, zoo is er m. i. in dit geval nog een speciale grond waarop de actie moet afstuiten. ' Gelijk u uit de dagvaarding zal blijken is daarby de termijn van art. 7 B. R. niet in acht genomen. Nu heeft de gedaagde curator wel getracht deze nietigheid te dekken door bij de akte van procureurstelling uitdrukkelijk afstand te doen van alle exceptien en weren, die hij aan de niet-inachtneming van den bii de wet gestelde termijnen zou kunnen ontleenën, maar de vraair mancedaan worden w«h Ho nn» i .. ... ® »

u"wsu LUt aoen van zoodanigen afstand ? n

En op deze vraag antwoord ik beslist ontkennend.

De curator was tot dien afstand niet bevoegd omdat hii te eenenmale onbevoegd was in dit proces verwerend op te treden. Art. 81 a W. v. K. bepaalt met zoovele woorden, dat de curator onbevoegd is zich zonder machtiging van den rechter-commissai is tegen eene rechtsvordering, waarbij de belangen van den boedel betrokken zijn, te verweren. En in casu is niet alleen geene machtiging om zich te verweren door den curator overgelegd, maar is ook geene zoodanige machtiging verleend. De curator was dus onbevoegd zich in dit proces te sisteeren en even onbevoegd om daarin afstand van exceptie's of andere weren te doen of om conclusiën te nemen.

Hij behoort dus door uwe Rechtbank niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijne conclusiën en het moet er voor gehouden worden, alsof hij niet verschenen ware en geenerlei afstand had gedaan. De nietigheid waaraan de dagvaarding lijdt is dus niet gedekt en art. 92 B. W. stelt u in dit geval ten plicht de dagvaarding nietig te verklaren met veroordeeling van de eischeresse in de kosten behalve die aan zijde van den gedaagde-curator gevallen, die door den tot procedeeren niet-gemachtigden curator uit eigen beurs te betalen zullen zijn.

De Rechtbank enz.,

Ten aanzien der daadzaken ;

Overwegende dat de eischeres bij exploot van den 7 Juni jl den ged. in diens boedanigheid van curator in het faillissement' van J. v. d. L. heeft doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 13 Juni d.a.v., ten einde qq. te worden veroordeeld om met haar eischeresse, over te gaan tot scheiding en verdeeling der gemeenschap van goederen waarin zij te zamen zijn gehuwd geweest met benoeming van eenen notaris te wiens overstaan, zoo partijen daaromtrent met overeenkomen in der minne, die werkzaamheden zullen plaats hebben op daartoe bij heL vonnis te bepalen lijd en plaats, zoo mede van een onzijdig persoon om hem te vertegenwoordigen, zoo ged. in gebreke blijft tot die werkzaamheden mede te werken, alles met veroordeeling van ged. qq. iu de kosten vau het geding ingeval van tegenspraak en anders met bepaling dat

gebrachrwoerdenre ^ genleens<**PPeiPen boedel zullen

0. dat de ged. qq. bij zijne akte van procureurstelling verklaard heeft, dat hij afstand doet van alle weren en exceptiën, die hij zou kunnen aanvoeren wegens overtreding van deu termijn van dagvaarding, waarna door de eischeresse ten dienende dage overeenkomstig de dagvaarding is geconcludeerd ; b 0meen-

0. dai hierop de ged. qq. zich volkumèc aan 's rechters oordeel

Sluiten