Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 2 Augustus i893.

N°. 6365.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIJF-EN- VIJFTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags. Woensdags en Vrijdags. —- Prijs per jaargang fiO; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 23 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. J. G. Kist.

Raadsheeren, Mrs.: J. Kalff, J. J. van Meerbeke, I. Telting,

Jhr. B. C. de Jonge, A. P. Th. Eyssell en A. M. van

Stifriaan Luïscius.

Art. 43 R. O. doelt alleen op het geval dat partijen zich vrijwillig bij den kantonrechter aanmelden, ten einde zijne beslissing in te roepen omtrent een reeds bestaand geschil.

Dit artikel mist dus toepasselijkheid, waar partijen bij eene overeenkomst hebben bepaald, dat alle geschillen daaruit voortvloeiende^ aan de uitspraak des kantonrechters zullen worden onderworpen.

(Zie het vonnis a quo der arrondissements-rechtbank te Rotterdam den 8 Febr. 1893 in W. no 6315).

H. J. Middendorf, eischer, advocaat Mr. i. M. Hijmans, tegen

W. de Goederen, verweerder, advocaat Mr. J. Limburg, gepleit

Mr. Jos. van Raalte, uit Rotterdam.

Adv.-gen. van Maanen heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren! In facto staat vast, dat de verweerder van den eischer had gehuurd een huis en dat bij de huurovereenkomst was bepaald dat alle geschillen betreffende die overeenkomst of daaruit voortvloeiende zouden worden onderworpen aan de uitspraak van den kantonrechter te Rotterdam, behoudens appèl.

Bij wanbetaling der huurpenningen werd de verweerder gedagvaard voor dien rechter om te hooren ontbinden en vernietigen het huurcontract.

Daarop is door den huurder voorgesteld de exceptie van onbevoegdheid des kantonrechters en in 2 instantiën is deze ook onbevoegd verklaard.

Oppervlakkig beschouwd zou de verweerder zich door die daad niet van de gunstigste zijde hebben doen kennen, maar mij is van wel ingelichte zijde verzekerd, dat men van den Hoogen Raad een beslissing verlangde over de bevoegdheid van den kantonrechter, omdat in vele huurcontracten voorkomt een bepaling gelijk aan die, welke aanleiding gaf om deze zaak voor dien rechter aanhangig te maken.

Daartoe is voorgesteld als middel van cassatie: Schending en verkeerde toepassing van art. 43 R. O. zoo noodig in verband met art. 156 der Grondwet, art. 14 der wet houdende Alg. Bep„ art. 42 en 53 R. O. artt. 1356 en 1374 B. W. en art. 154 B. R. omdat de Rechtbank, ofschoon feitelijk vaststaat dat partijen uitdrukkelijk bij geschrifte zijn overeengekomen, om alle geschillen, betreffende eene tusschen hen aangegane huurovereenkomst, of die daaruit zouden voortvloeien te onderwerpen aan de uitspraak van den kantonrechter, desalniettemin heeft beslist, dat dusdanige overeenstemmende wilsverklaring den kantonrechter nog niet bevoegd maakt, om ingevolge art. 43 R. O. kennis te nemen van een tusschen partijen ter zake voornoemd bestaand geschil, hetwelk anders aan zijne kennisneming is onttrokken en zulks op grond, dat art. 43 evengemeid, bij prorogatie van rechtsmacht aan den kantonrechter, steeds vordert de verschijning van partijen vook dien rechter, (zij het dan ook bij gemachtigden) en het alsdan voor hem afleggen van de overeenstemmende verklaring, dat partijen aan zijne beslissing het geschil wenschen te onderwerpen.

Tot staving daarvan is in hoofdzaak aangevoerd, dat de beperkte uitlegging aan art. 43 R. O., gegeven in strijd is met de bedoeling van den wetgever, die de beslechting over kleine geschillen door den kantonrechter wilde mogelijk en gemakkelijk maken.

Daartoe was alleen noodig de overeenstemmende wil van partijen, die ten deze wordt bewezen door de bepaling van het huurcontract.

De eischer beweert, dat te veel gewicht is gehecht aan het woord aanmelden in art. 43, vermits daar van geen persoonlijk aanmelden de rede is.

Voorts beroept hij zich op het overeenstemmende art. 7 van den Code de Proc. civile, dat luidde „se pré senter volontairement devant le juge de paix", terwijl art. 43 van geen vrijwillige aanmelding spreekt.

Het vonnis van de Rechtbank té Amsterdam van 15 Maart 1892, waarop een beroep is gedaan, behandelt een geheel ander geval ; daar had de kantonrechter zich onbevoegd verklaard een arbiter te benoemen, zooals bij overeenkomst was bepaald en daar berustte die door de Rechtbank gewraakte meening op des kantonrechters oordeel dat art. 624 B. R. zou zijn van publieke orde.

Naar mijn bescheiden meening heeft art. 43 zijn oorsprong in het leidend beginsel van art. 7 van den Code de Proc.; het is echter daarvan geheel verschillend, omdat het eerste toelaat op de volstrekte (^bevoegdheid van den kantonrechter inbreuk te maken, t&rwijl het laatste alleen aan de betrekkelijke bevoegdheid uitbreiding geeft.

Alleen de strekking van beide bepalingen is gelijk, nl. afsnijding van formeele processen.

Voor de uitlegging van het art. 43 vermeen ik dat ook niet te recurreeren is tot de prorogatie van art. 66 R. O. die een ander karakter heeft, en den hoogeren rechter kan doen aanwijzen, die de bevoegde rechter in appèl zou zijn ; eene prorogatie, die ontleend is aan het Oud-Hollandsch recht (v. i>. Linden judic. practijck bl. 75 § 16 en bl. 180 Grotii Isagoge, bl. 88, Faure, dl. I, bl. 452, 3e uitgaaf). '

Bij de beslissing dezer rechtsvraag kan niet in aanmerking komen of de wetgever in de ruimste mate aan zijne bedoeling om processen te vereenvoudigen (v. d. Honert JR. Org. bl. 49) heeft willen tegemoet komen, maar moet als uitgangspunt worden genomen het beginsel onzer wet omtrent volstrekte onbevoegdheid des rechters.

En dan beveelt art. 156 B. R. in overeenstemming met de beginselen der Grondwet dat wanneer de exceptie van onbevoegdheid uit hoofde van het onderwerp des geschils niet is voorgesteld, de rechter zich ambtshalve moet onbevoegd verklaren.

Het hangt dus niet van den overeenstemmenden wil van partijen af om in dat geval den rechter als bevoegd te erkennen.

Alleen de wet kon op dat beginsel eene uitzondering maken en beeft dat gedaan in art. 43 R, O.

Die uitzondering hoe uitgebreid die ook zij, is echter van strikte uitlegging en de bedoeling des wetgevers kan geen grond zijn om laarvan af te wijken.

Maar ik kan niet toegeven dat zulks de bedoeling des wetgevers was.

Deze laat toe dat de kantonrechter, door beide partijen daartoe jekozen, hun geschil beslecht, zonder dagvaarding, maar daartoe noeten zij zich bij hem aanmelden, dat kan niet anders dan vrijwillig en persoonlijk zijn, want zij moeten hun geschil voor den cantonrechter blootleggen, die zich eerst moet op de hoogte itellen van het juiste geschilpunt, waarover hij zal moeten oorleelen.

Het woord aanmelden, duidt niet aan het overleggen eener overeenkomst, de kantonrechter moet door die verschijning overtuigd worlen van den op dat oogenblik aanwezigen overeenstemmenden wil ran partijen om de hen nu verdeeld houdende quaestie uit tenaken.

De wet ziet niet op een toekomstig maar op een bestaand ;eschil en tijdens het treffen der huurovereenkomst bestond het ;eschil niet.

De overeenkomst is wel bindend voor partijen, maar niet voor [en rechter, die zelfs ambtshalve zich zou moeten onbevoegd verbaren, wanneer de vereischten van art. 43 ontbraken.

Niet door de overeenkomst, maar door de handeling der beide lartijen wordt zijn competentie gevestigd.

Waar dus de gedagvaarde ged. zich noch vrijwillig heeft aan;emeld bij den kantonrechter noch diens beslissing heeft ingeoepen, maar integendeel de exceptie van incompetentie ratione nateriae heeft geproponeerd, ben ik van oordeel, dat diens uitpraak juist was en terecht is bevestigd door de Rechtbank.

Beide partijen hebben zich beroepen op de autoriteit van den loogleeraar Boneval Faure. Diens meening is echter weinig wijfelachtig. Deze acht de overeenkomst zelve niet ongeldig, maar ereenigt zich totidem verbis met de beslissing van den kantonechter dd. 2 Juli 1892, Weekbl. no. 6245 thans aan uw oordeel inderworpen (Procesrecht 3e ed. dl. II bl. 8 en 9, waarmede te 'ergelijken Diephuis in Opmerk, en Meded. dl. 10, bl. 34 ; Vragen an Nederlandsch Recht Dl. II, bl. 1 Amst. bij van Kampen 853 ; Prof. des Amorie van der Hoeven, Nieuwe Bijdragen II 1853, bl. 377 acht het geheele beding ongeldig).

Ik concludeer tot verwerging van het beroep met veroordeeling an den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Partijen gehoord;

Gezien de stukken ;

Overwegende dat als eenig middel van cassatie is aangevoerd : Schending en verkeerde toepassing van art. 43 R. O. zoo noodig n verband met art. 156 der Grondwet, art. 14 der wet houiende Alg. Bep. der wetgeving van het Koninkrijk, de artt. 42 n 53 R. O., de artt. 1356 en 1374 B. "W. en art. 154 B. R„ mdat de Rechtbank, ofschoon feitelijk vaststaat dat partijen uitIrukkelijk bij geschrifte zijn overeengekomen om alle geschillen, letreffende eene tusschen hen aangegane huurovereenkomst of die aaruit zouden voortvloeien, te onderwerpen aan de uitspraak van en kantonrechter, desalniettemin heeft beslist dat dusdanige overenstemmende wilsverklaring den kantonrechter nog niet bevoegd naakt om ingevolge art. 43 R. O. kennis te nemen van een tuschen partijen ter zake voornoemd bestaand geschil, hetwelk anders an zijne kennisneming is onttrokken, en zulks op grond dat >rt. 43 evengemeid, bij prorogatie van rechtsmacht aan den kanon rechier, steeds vordert de verschijning van partijen voor dien echter (zij het dan ook bij gemachtigden) en het alsdan voor lem afleggen van de overeenstemmende verklaring, dat partijen Lan zijne beslissing het geschil wenschen te onderwerpen;

O. dat, blijkens het bestreden vonnis, de eischer, op grond dat lij zeker bovenhuis te Rotterdam voor den tijd van een jaar egen een huurprijs van f 360, betaalbaar in maandelijksche termijnen, lad verhuurd aan den vermeerder; dat deze in gebreke is gelieven 2 dier termijnen te betalen, en dat partijen bij die overeen;omst hadden bepaald dat alle geschillen, haar betreffende of daarlit voortvloeiende, zouden worden onderworpen aan de uitspraak fan den kantonrechter in het tweede kanton te Rotterdam, behoulens hooger beroep, den verweerder voor dien kantonrechter heeft ;edagvaard, ten einde welgemelde overeenkomst te hooren verklaen ontbonden en zich tot ontruiming van het gehuurde te hooren

veroordeelen; dat de toen ged. de exceptie van onbevoegdheid des kantonrechters uit hoofde van het onderwerp des geschils heeft voorgesteld; dat bij vonnis des kantonrechters deze zich overeenkomstig die exceptie heeft verklaard onbevoegd om van dit geding kennis te nemen, en dat, op het hooger beroep des eischers dit vonnis door de Rechtbank te Rotterdam is bevestigd bij het vonnis, waartegen dit cassatiemiddel is gericht;

O. alsnu wat betreft dit middel, dat ten aanzien eener vordering, als hier is ingesteld, art. 42 R. O. den kantonrechter slechts waar de huur, over een jaar berekend, niet meer dan f 200 bedraagt, bevoegd verklaard ;

O. dat de rechter, onbevoegd uit hoofde van het onderwerp des geschils, volgens art. 156 B. R. ook ambtshalve gehouden is zich onbevoegd te verklaren, en dat, vermits die onbevoegdheid alzoo is van openbare orde, partijen van de daaromtrent bij de wet gestelde regelen niet kunnen afwijken dan voor zoover de wet dit uitdrukkelijk veroorlooft;

0. dat zoodanige, uit haren aard in strikten zin op te vatten bepaling ten aanzien van des kantonrechters bevoegdheid voorkomt in art. 43 R. O. en dus het oordeel omtrent de in deze uitgesproken onbevoegdheid des kantonrechters en omtrent het tegen die uitspraak gerichte middel van cassatie afhangt van de beteekenis dezer wetsbepaling;

O. dat terwijl de wet aan partijen de bevoegdheid verleent, zich vooraf te verbinden om geschillen, die in het vervolg mochten opkomen, aan de uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen, van dergelijke bepaling ten aanzien van den kantonrechter niets voorkomt in voormeld art. 43, dat in alle geschillen, welke voor dading of compromis vatbaar zijn, aan partijen slechts veroorlooft zich voor een kantonrechter te harer keuze, doch binnen het arrondissement, aan te melden en zijne beslissing in te roepen, welke ook de aard van het geschil en de waarde van het betwiste voorwerp zij ;

O. dat hier dus geen sprake is van geschillen die later zouden kunnen ontstaan en van handelingen van partijen daaromtrent buiten rechte, maar het artikel alleen doelt op een reeds bestaand geschil en op partijen die zich bij den kantonrechter aanmelden om daaromtrent zijne beslissing in ie roepen, en dus op een geheel vrijwillig verschijnen van beide partijen voor den kantonrechter en het door haar bij die verschijning vragen zijner rechtspraak omtrent dat geschil;

O. dat, nu dus, in plaats van zoodanige vrijwillige handeling van beide partijen in rechte, de eischer den verweerder voor den kantonrechter heeft gedagvaard, en de gedaagde de onbevoegdheid des kantonrechters aldaar uitdrukkelijk heeft ingeroepen, het tegendeel is geschied van hetgeen bij art. 43 wordt bedoeld, en in deze de bevoegdheid des kantonrechters volgens art. 42 R. O. bleef uitgesloten ;

O. dat voormelde opvatting van art. 43 ook steun vindt in art. 7 van den Code de procédure civile, hetwelk gewaagde van het „se présenter" van partijen „volontairement" voor den vrederechter en van het bij die gelegenheid door partijen doen en teekenen der verklaring, dat zij zijne beslissing vroegen, welk een en ander onmogelijk kan toepasselijk zijn waar eene der partijen slechts door dagvaarding gedwongen verschijnt en waar beide partijen geheel tegenovergestelde verklaringen voor den rechter afleggen ten aanzien van het door hem geven eener beslissing ;

O. nu dat, hoe groot verschil overigens tusschen die 2 elkander opgevolgde wetsbepalingen bestaat, uit niets blijkt de bedoeling des wetgevers om in voormeld art. 43 ten aanzien van evengemeid punt af te wijken van art. 7 van den Code de procédure ;

O. dat de eischer ook met zijn bij pleidooi gedaan beroep op art. 329 B. R. niet kan goedmaken zijne uitlegging van art. 43 R. O., omdat beide bepalingen, geheel verschillende van oorsprong geheel verschillend zijn geredigeerd, en bepaaldelijk art. 329 vordert eene akte door partijen vóór de verschijning in rechte aangegaan, terwijl in art. 43 voor eene buitengerechtelijke akte geen plaats, maar alleen van handeling van partijen bij den rechter de rede is;

O. dat uit het vorenstaande volgt dat door de in deze uitgesproken onbevoegd-verklaring des kantonrechters geen der bij het middel van cassatie aangehaalde artikelen is geschonden of verkeerd toegepast, en derhalve dit middel is ongegrond ;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten van cassatie.

GERECHTSHOVEN.

»

. GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 26 April 1893.

Voorzitter, Mr. D. G. Kortenbout van der Sluijs.

Raadheeren, Mrs.: L. Udo de Haes, D. J. Mom Visch, L. Hertzveld en L. U. de Sitter.

Procureur-Generaal, Mr. J. J. de Meijier.

De eigenaren der voormalige vrije heerlijkheid Batenburg bezaten reeds sedert zeer oude tijden en ook nog in 1650 binnen de. grenzen dier heerlijkheid integraal of universeel tiendrecht, wtlk

Sluiten