Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gesproken had en haar alstoen kalm en haar in het volle bezit van hare verstandelijke vermogens gevonden heeft, en eindelijk Dr. H. J. Vinkhuijzen, die de ged. van half Juli tot begin Dec. 1891 bij tusschenpoozen behandeld heeft, en haar in de le week van Oct. 1892 nog 4 malen gezien heeft en zelfs vrij langdurig en niets abnormaals aan haar bespeurd heeft, maar gevonden heeft dat zii een goed verstand en een logisch oordeel heeft;

0. dat de verklaringen van de aan zijde van de ged. gehoorde geneeskundigen worden bevestigd door de ten haren verzoeke gehoorde getuigen met name Ch. A., A. G., M. M., A. N. P., E. G., E. H., F. T., M. G. (vader en dochter^, J. van de P. en M. Th.t J., die allen en wel ieder afzonderlijk hebben verklaard de ged. in den tijd kort voorafgaande aan den dag waarop zij als getuigen gehoord zijn, meermalen te hebben gezien en van haar den indruk te hebben bekomen dat zij goed bij haar verstand is ;

O. dat, waar alzoo zoowel door geneeskundigen als door getuigen is verklaard, dat bij de ged. in den zomer en in het najaar van 1892 geen sporen van krankzinnigheid meer te bespeuren zijn, en waar het — gelijk hierboven reeds is overwogen — als vaststaande mag worden aangenomen, dat de krankzinnigheid, waaraan de ged. vroeger lijdende was, niet is ongeneeslijk, het naar het oordeel van den rechter niet bewezen is, dat de ged. zich alsnog in een voortdurenden staat van krankzinnigheid bevindt, hetgeen toch onomstootelijk zal moeten vaststaan, indien eischers verzoek tot hare onder curatelestelling ter zake van krankzinnigheid zal kunnen worden toegestaan, en mitsdien zijne vordering daartoe worden toegewezen ;

0. dat het nu voorzeker eene opene vraag blijft of de ged. genezen is, dan wel of zij verkeer; in het stadium van het lucidum intervallum, welke periode volgens de geneeskundigen en de schrijvers, weken, maanden, ja zelfs jaren kan duren, en in welke periode de lijder zijn abnormalen toestand geheel schijnt te kunnen verbergen zoodat het zeer moeielijk is om alsdan te beoordeeleö of zoodanig persoon bepaald genezen is dan wel of hij in het meergenoemde stadium verkeert, maar dat juist omdat die vraag niet voldoeude kan worden beantwoord, de rechter in casu niet met voldoende zekerheid omtrent den werkelijken geestestoestand van ged. kan en mag beslissen ;

O. dat echter de mogelijkheid van algeheele genezing van de ged. daarom niet is uitgesloten en de genezing daarin hare verklaring zou kunnen vinden, dat zij door de ongelukken van haar leven vroeger krankzinnig is geweest en door de treurige huiselijke omstandigheden, waarin zij zich bevond, in dien toestand is gekomen, maar dat nu zij sedert Februari van het vorige jaar uit die omstandigheden is geraakt, haar gemoed langzamerhand tot kalmte en rust kan zijn gekomen en de normale geestestoestand dientengevolge weder bij haar kan zijn ingetreden ;

0. dat wellicht de opmerking nog zou kunnen worden gemaakt, dat de ged. na hare ondervraging door de Rechtbank op 29 Febr. 1892 nog eenige brieven naar aanleiding van dat verhoor heeft geschreven, welke in forma probanti overgelegd zijnde, zouden kunnen wijzen op den abnormalen geestestoestand, waarin de ged. destijds nog verkeerde, maar dat daarbij niet uit het oog moet worden verloren, dat die brieven zijn geschreven in een tijdperk, lang voorafgaande aan dat waarin zij door de ten haren verzoeke gehoorde geneeskundigen en de overige getuigen is behandeld en gezien geworden;

0. dat, vermits alzoo niet gezegd kan worden dat het bewijs is geleverd dat de ged. in een zoodanigen staat van krankzinnigheid verkeert, dat zij te dier zake onder curatele zou moeten worden gesteld, aan den eischer zijne vordering zal moeten worden ontzegd;

Gezien artt. 487 en vlg. B. W. en art. 56 B. R.;

Rechtdoende:

Ontzegt aan den eischer zijne vordering strekkende tot toewijzing van zijn verzoek tot onder curatelestelling van de gevl.;

Veroordeelt hem in alle kosten van het geding, daaronder begrepen die gereserveerd bij het interlocutoir vonnis van 25 April 1892 voor zooveel die voor de uitspraak en niet door hem zeiven zijn gemaakt, begroot op eene som van f 1000»

(Gepleit voor den requestrant door Mr. B. C. J. Loder en voor de gerequestreerde door Mr. J. Knottenbelt).

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 10 April 1893.

Voorzitter, Mr. J. A. Vaili.ant.

Rechters, Mrs.: E. Eeith en Th. J. Hoppe.

Art. 268 2e lid B. IV. is niet toepasselijk wanneer de vronw zich 'van tijd tot tijd uit de aangewezen woning lijdelijk verwijdert, maar eerst dan wanneer zij die verlaat zonder daarin terug te ketren.

Waar het huwelijk in het buitenland gesloten is, ia het voor de ontvankelijkheid der vordering tot echtscheiding niet noodig bij dagvaarding te stellen dat de huwelijksafkondigingen in Nederland zonder stuiting hebben plaats gevonden.

Een dagvaarding, waarin vermeld staat dat de gedaagde gedurende zijn huwelijk, in bepaald aangegeven jaren, builen echt, vleeschelijke gemeenschap heeft gehad tnet andere vrouwen dan de eischtres, bevat voldoende opgaaf der daadzaken.

Zoolang iemand sui juris is, heeft hij de bevoegdheid om in rechte op te treden, ook al mocht hij in staat van krankzinnigheid verkeeren.

H., echtgenoote van S. R. S., wonende te Rotterdam, eischeres, procureur Mr. S. J. VAN Aalten, tegen

S- R. 8., wonende te Rotterdam, gedaagde, procureur Mr. B.C.J.

lodeb,

en tegen

F. wonende te Rotterdam, intervenient, procureur Mr. A.

«*• Bik.

Pe ^echtbank enz.;

behoord partijen in hare conclusiën en pleidooien ;

Gehoord de conclusie van den officier van justitie bij deze Ree it^nk daartoe strekkende: ,

dat de Rechtbank, verwerpende de 4 door gedaagde voorgestelde bidden van niet-ontvankelijkheid van eischeresse, den ged. niet°ötvankelijk zal verklaren in zijne incidenteele conclusiën men z,jn veroordeeling in de kosten op het incident gevallen, cn voorts

op de hoofdzaak de eischeresse zal toelaten tot het bewijs van de

door naar gestelde feiten, met reserve van kosten ;

Gezien de ten processe overgelegde stukken en bescheiden, allen voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd en daaronder meer bepaaldelijk het vonnis dezer Rechtbank den"30en Mei 1892 bij provisie gewezen, waarbij aan eischeresse vergunning is verleend om gedurende het rechtsgeding tot echtscheiding verblijf te houden ten huize van mevrouw de wed. J. van II., zonder verplicht te zijn haar echtgenoot aldaar bij zich te ontvangen, met bepaling dat de uit gemeld huwelijk nog minderjarige kinderen met name B., H. en P. F. hangende het geding aan den ged. zullen worden toevertrouwd;

Overwegende voor wat betreft de daadzaken : dat eischeresse, blijkens dagvaarding en dienovereenkomstig genomen conclusie van eisch, na daartoe verkregen verlof van den voorzitter dezer Rechtbank, tegen ged., met wien zij den 10 Oct. 1860 te Antwerpen is gehuwd, heeft ingesteld een vordering tot echtscheiding op grond dat ged. gedurende dat huwelijk in de jaren 1890, 1890 en 1892 buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen dan eischeres, welke feiten daarstellen overspel, en overspel bij de wet onder de gronden is opgenomen welke recht geven om echtscheiding te vorderen, concludeerende mitsdien eischeres, dat bij vonnis dezer Rechtbank het tusschen eischeres en ged. bestaande huwelijk worde verklaard te zijn ontbonden door echtscheiding met alle wettelijke gevolgen daarvan ;

dat ged. bij conclusie van antwoord, de daadzaken ontkennende, zooals die door eischeres zijn gesteld, tegen den tegen hem ingestelden eisch opwerpt 3 middelen van niet-ontvankelijkheid en wel:

1°. dat bij dagvaarding en conclusie niet is gesteld dat het huwelijk tusschen eischeres en ged. te Antwerpen, alzoo buitenslands gesloten is, is voltrokken naar den vorm in dat land gebruikelijk en dat de huwelijksafkondigingen binnen dit koningrijk zonder stuiting hebben plaats gehad;

2 . dat in de dingtalen niet worden gevonden de „daadzaken" waarvan „de opgave" wordt vereischt;

dat eischeres wel den schiin aanneemt van aan dit; voorschrift

te voldoen doch zulks in waarheid nalaat;

dat het „overspel" en het „buiten echt hebben van vleeschelijken omgang met andere vrouwen" 2 uitdrukkingen zijn van hetzelfde begrip, waarvan alleen de laatste iets langer is dan de eerste;

dat juist hier waar de wet „overspel" de qualificatie van zekere daadzaken als grond voor echtscheiding noemt en daarnevens vordert „opgave der daadzaken", ged. volkomen gerechtigd is te vorderen dat de dagvaarding en conclusie van eisch dan ook die opgave van daadzaken behelzen met zoodanige bepaaldheid en nauwkeurigheid dat reeds dadelijk vaststa over welke feiten het rechtsdebat te loopen heeft en beoordeeld kunne worden of die feiten, indien bewezen, de qualificatie van overspel rechtvaardigen ;

3°. dat de eischeres verkeert in staat van krankzinnigheid en ged. het recht heeft het bewijs daarvan te leveren, ten einde bij den rechter te kunnen vorderen de nietigverklaring harer processueele handelingen, stellende ged. alsnog incidenteel:

dat aangezien de eischeresse heeft goedgevonden het huis te Amtwerpen haar eerst bij presidiale beschikking van 8 Maart 1892 en daarna bij vonnis op de provis.ie van 30 Mei 1892 als verblijf aangewezen, bij herhaling en voor geruimen tijd te verlaten ; dat de eischeres niet zal kunnen ontkennen geruimen tijd en bij herhaling vertoefd te hebben te Rotterdam in de hotels L., W., de R. en Maashotel, te 's-Gravenhage in hotel d'Angleterre en Pension li., te Godesberg in hotel B. alsmede te Ostende;

dat het ongeoorloofd is en met den geest en strekking van art. 268 B. W. in strijd om het rechterlijk gebod aldus illusoir te maken, ook wordt quasi niet van domicilie veranderd ;

dat de wet dan ook dergelijke gedragingen bedreigt met nietontvankelijk-verklaring ;

Concludeerende mitsdien incidenteel :

dat het der Rechtbank behage de eischeres niet-ontvankelijk te verklaring in de voortzetting harer rechtsvordering met hare veroordeeling in de gerechtskosten ; concludeerende ged. tevens ten principale dat de eischeres in hare vordering zal worden verklaard niet-ontvankelijk immers haar die worden ontzegd cum expensis ;

dat eischeres onder persistit der door haar gestelde daadzaken, biedende zij aan het bewijs daarvan te leveren, de door ged. opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid bestrijdt en alsnog stelt:

dat door ged. niet wordt beweerd dat het tusschen hem en eischeres aangegane huwelijk niet van waarde is en het aan de Rechtbank bekend is dat de ged. juist als echtgenoot van eischeres, de onder curatelestelling der eischeres heeft verzocht, ontkennende voorts eischeres de door ged. beweerde krankzinnigheid, terwijl eischeres wel degelijk ontvankelijk is in de voortzetting harer rechtsvordering, daar het toch onwaar is dat eischeres bij herhaling en voor geruimen tijd het haar aangewezen verblijf te Antwerpen verlaten heeft;

dat eischeres alleen tengevolge van het door ged. gedane verzoek tot hare onder curatelestelling genoodzaakt is geweest eenige malen met hare advocaten te Rotterdam, met Dr. van der Hoeven aldaar, met Dr. Vinkhuijzen te VGravenhage, met professor Dr. Finckelenburg te Godesberg te confereeren en eenmaal een kort bezoek te brengen aan hare te Ostende tijdelijk vertoevende zwager en zuster, den heer en mevrouw A. N. P. van Rotterdam;

dat ged. bij conclusie van repliek zegt te blijven persisteeren bij de door hem aangevoerde middelen van niet-ontvankelykheid en het door hem opgeworpen incident, stellende hij voorts dat hij erkent dat het huwelijk tusschen eischeres en ged. te Antwerpen is voltrokken met inachtname van de vereischten der wet, doch dat zulks niet bij dagvaarding is gesteld;

dat eindelijk de voorstelling door eischeres gegeven met betrekking tot het verlaten der haar aangewezen woning niet met de waarheid overeenstemt, naardien zij telkens en bij herhaling ettelijke dagen lang in de genoemde plaatsen en hotels vertoeft, hetwelk zij wordt gesommeerd te erkennen of te ontkennen met aanbod van bewijs en zij nu weder, hoezeer daaitoe geene aanleiding bestond ettelijke dagen te Rotterdam heeft vertoefd, gelogeerd heeft in het hotel de R. en gezien is in eene tapperij op de Westerhaven ingaande;

dat de intervenient bij conclnsie ter rolle dezer Rechtbank genomen doet zeggen : dat het debat over de niet-ontvankelijkheid der vordering tusschen eischeres en ged. hem geen aanleiding geeft zich daarin te scharen aan de zijde van een der beide partijen en hij zich mitsdien refereert aan 's rechters oordeel met reserve om zoodra de stand van het proces zulks zal meebrengen, toelating te vragen tot het bewijs van zoodanige feiten als waaruit de volkomen ongeschiktheid der eischeres tot het opvoeden harer kinderen zal voortvloeien, alles met persistit bij de vroegere conclusiën ;

0. voor wat aangaat het recht:

In de le plaats met betrekking tot het door ged. opgeworpen incident, dat uit het door eischeres tegen dit incidenteel middel gevoerde verweer, inderdaad blijkt dat z\j meermalen het huis

haar door de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam bij bovenvermeld provisioneel vonnis als haar verblijf gedurende deze procedure van echtscheiding aangewezen, heeft verlaten ;

dat evenwel niet door ged. is gesteld „dat eischeresse later in die woning met meer is teruggekeerd" en zeer zeker de wetgever met heeft gewild, dat eene vrouw, aan wie als eischeres in eene procedure tot echtscheiding een verblijf is aangewezen daardoor zoozeer in hare vrijheid zou worden belemmerd, dat zij dat verblijf nimmer zou mogen verlaten ;

dat de wet het dan ook geheel aan de prudentie van den rechter heeft overgelaten om in het geval van art. 268 alinea 2 van het B. Vv., naar bevind van zaken de eischeres in cas van echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren om de door haar ingestelde rechtsvordering tot echtscheiding voort te zetten en zeer zeker de rechter tot die niet-ontvankelijk-verklaring niet zal vermogen te besluiten tenzij daarvoor zeer gewichtige redenen bestaan •

dat ged. nu wel beweert, dat eischeres telkens en bij herhaling ettelijke dagen lang in de bij conclusie genoemde plaatsen en hotels heeft vertoefd, doch dat met het oog op de door eischeres gevoerde procedure tot echtscheiding en de tegen haar ingestelde vordering tot onder curatelestelling dat verblijf in die plaatsen en hotels ten volle gewettigd was, terwijl het volstrekt niet is bewezen dat eischeres hangende de onderwerpelijke procedure en nadat haar een huis tot verblijf was aangewezen, ergens haar intrek heeft genomen of haar verblijf heeft gevestigd, waardoor zij handelde in strijd met de regelen der welvoegelijkheid en goede zeden of dat zij na het haar aangewezen verblijf te hebben verlaten, daarin niet meer is teruggekeerd ;

O. dat alzoo ged. geen goede gronden voor zijne incidenteele vordering heeft bijgebracht en hem die vordering zal behooren te worden ontzegd ;

O. voor wat betreft de door ged. aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid ;

ad Ium :

dat dit middel van niet-ontvankelijkheid is tweeledig, te weten: a. dat eischeres bij dagvaarding niet gesteld heeft, dat het huwelijk tusschen partijen te Antwerpen gesloten, niet is voltrokken naar den vorm in dat land gebrnikelijk en b. dat eischeres niet gesteld heeft bij dagvaarding dat de huwelijksafkondiging binnen het koningrijk zonder stuiting heeft plaats gehad ;

0. wat het middel sub a. betreft:

dat eischeres geacht moet worden wel degelijk bij dagvaarding te hebben gesteld, dat het huwelijk te Antwerpen overeenkomstig de vormen in België gebruikelijk is aangegaan, daar eischeres stellende dat het huwelijk tusschen partijen te Antwerpen is voltrokken — daarop onmiddeljjk laat volgen: blijkens uittreksel uit de registers van den Burgerlijken stand der gemeente Antwerpen waaruit blijkt dat zij een beroep doet op en verwijst naar i*eze"d' uittreksel, dat wederom tot bewijs strekt, dat het huwelijk tusschen partijen den lOen Oct. 1860 overeenkomstig de vormen van het land te Antwerpen is voltrokken ;

O. wat het middel sub b. aangaat:

dat de stelling van ged. juist zoude zijn, bijaldien het gemis der afkondiging tevens de nietigheid van het huwelijk tengevolge zou hebben, daar toch, aangenomen dat wegens gebrek aan behoorlijke afkondiging een buitenslands gesloten huwelijk zou kunnen worden nietig verklaard — quod non — in elk geval ingevolge art. 150 B. W., de nietigheid van het huwelijk nog door den rechter zou behooren te worden uitgesproken, waaruit volgt, dat zoolang de nietigheid van een btiitenlandsch huwelijk, gesloten overeenkomstig de vormen van het land, niet wordt beweerd of bewezen, a priori dat huwelijk ook hier te lande als van waarde moet worden beschouwd en diensvolgens eischeres ook bij dagvaarding niet behoefde te stellen dat met betrekking tot het huwelijk van partijen, de huwelijksafkondigingen in art. 138 B. W. bedoeld binnen dit koningrijk zonder stuiting des huwelijks hebben plaats gevonden ;

dat dan ook de vergelijking van ged. bij conclusie van dupliek: dat de hierbedoelde actie niet-ontvankelijk is op denzelfden grond als eene actie wegens laster wanneer niet is gesteld, dat delaster geschiedde tegen beter weten in, de toets der juistheid niet kan doorstaan, daar toch de burgerlijke actie van smaad of smaadschrift naar de daaromtrent vastgestelde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht moet worden beoordeeld en blijkens art. 262 van dat wetboek de te lastelegging tegen beter weten iu een element is voor het misdrijf van smaad of smaadschrift en een in het buitenland gesloten huwelijk van waarde kan zijn ook wanneer de afkondigingen hier in het land, bedoel 1 in art 1-is B. W. niet hebben plaats gehad; ad Hum:

dat in de dingtalen niet worden gevonden de „daadzaken" waarvan de „opgave" wordt vereischt;

O. dat eischeres bij dagvaarding en conclusie heeft gesteld en daarop hare vordering grondt, dat ged. gedurende zijn huweliik in de jaren 1890, 1891 en 1892 buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen dan eischeres •

dat dienaangaande moet worden aangemerkt, dat met betrekking tot eene procedure tot echtscheiding ten aanzien van de introductieve dagvaarding geen andere eischen' bij de wet worden gesteld dan die art. 5 alinea 3 aangeeft en dat ook met betrekking tot de dagvaarding bij eene procedure 'ot echtscheiding, de middelen en het onderwerp van den eisch zoo moeten worden gesteld, dat voor ged. geen twijfel overblijft, waarop hij zich te verdedigen heeft;

dat nu de introductieve dagvaarding niet slechts qualificaticn maar tevens bepaalde feiten omvat, met omschrijving omstreeks welken tijd die plaats vonden, welke duidelijk de middelen en het onderwerp van den eisch aangeven, en dat ged. alzoo zeer goed weet of althans geacht moet worden de wetenschap te hebben waaromtrent hij zich naar aanleiding van de uitgebrachte dagvaarding te verdedigen heeft;

. dat nergens bij de wet is bepaald dat eene dagvaarding tot echtscheiding die toch het fundamentum petendi daarstelt moet behelzen eene bepaalde daadzaak zooals ged. bij conclusie stelt en mocht art. 816 Rechtsvord. dan ook melding maken van ,opgave der daadzaken", dat artikel slechts betrekking heeft op het aan de Rechtbank in te dienen verzoekschrift tot echtscheiding •

O. dat uit het overwogene blijkt dat het onderwerpelijk'exceptief verweer aan zijde van ged. geen steun vindt in de wet en alzoo niet in aanmerking kan komen • ad Illum :

dat tot dit middel van niet-ontvankelijkheid de door ged beweerde krankzinnigheid aan zijde van eischeres ten grondsW ligt; & o

O. dat ook dit exceptief verweer niet gegrond is op de wet daar een persoon zoolang hij sui juris is, al verkeert hij ook in staat van krankzinnigheid, alleszins gerechtigd is in rechten op te treden; ^

O. dat, nu uit het vorenstaande volgt, dat aan ged zijne ineidenteele vordering behoort te worden ontzegd en de door hem opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid hem niet kunnen volgen, eischeres hare princfpieele vordering zal behooren Te worden verklaard ontvankelijk, en naardien de door eischeres ge-

Sluiten