Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE UTRECHT. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 14 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. F. A. R. A. Baron van Ittersüm. Rechters, Mrs.: R. Melvil Baron van Lijnden en F. A. van

Leeuwen.

Wanneer de kooper eener zaak beweert, dat deze verborgen gebreken had, en dai zij is vergaan binnen den korten termijn, waarbinnen de te dier zake in te stellen vordering moet zijn aangelegd, is hij in die vordering dan slechts ontvankelijk, wanneer hij bij dagvaarding heeft gesteld niet alleen, dat het verkochte voorwerp is vergaan, maar tevens, dat dit is geweest een gevolg van het verborgen gebrek ; — de rechter is immers aan de bij dagvaarding gestelde feiten gebonden.

De Rechtbank enz.,

In facto :

Overwegende dat de oorspronkelijke eischer, nu appellant, de oorspronkelijke gedaagden, nn geïntimeerden, heeft gedagvaard voor het Kantongerecht te Breukelen—Nijenrode op grond dat de eischer op 1 Juni 1892 van den len gedaagde en den mede-ged. heeft gekocht een witten hit voor den prijs van f 75 en de hit is verkocht voor „geheel eerlijk'"; dat den eischer niet is toegestaan den hit gedurende een paar dagen te beproeven, zooals hij verlangde; dat dadelijk na de levering is gebleken, dat de hit als hij gespannen werd niet wilde vooruit loopen, maar telkens bleef stil staan en achteruit liep; dat nadat de eischer zich bij den ged. heeft beklaagd over het gebrek aan den hit, deze het dier heeft ingespannen en hem ook niet vooruit kon krijgen, doch den hit niet heeft willen terug nemen ; dat deze koppigheid van den hit aan de verkoopers is bekend geweest bij het sluiten van den koop ; dat de hit op den 4en Juni 1892 is gestorven en den eischer slechts f 6 heeft opgebracht; dat de eischer te dier zake de veroordeeling der ged. heeft gevorderd tot terugbetaling der som van f 69 van den koopprijs, en tevens tot vergoeding van alle kosten, schade en interessen door eiseher geleden en nog te lijden, zulks tot een bedrag van f 130 of zooveel minder als de kantonrechter zal billijk voorkomen;

O. dat nadat bij eerstgenoemd vonnis tegen den niet verschenen gedaagde P. E. verstek was verleend, en de zaak ten opzichte van den verschenen ged. Joh. K. was aangehouden, en de zaak bij exploiten van dagvaarding van 25 en 30 Aug. 11. opnieuw bij den kantonrechter was aanhangig gemaakt deze bij het in de 2e plaats genoemd vonnis als vaststaande heeft aangenomen den koop en den verkoop van den hit op 1 Juni 1892 voor de som van f 75 en dat deze op den 4 Juni d. a. v. is gestorven ; verder heeft overwogen: dat beide gedaagden als zijnde eigenaars van den hit tot den verkoop hebben meegewerkt; dat door den 2en ged. is toegegeven en door den len ged. niet weersproken, dat koppigheid bij een hit als een verborgen gebrek moet worden aangemerkt; dat het door den eischer aangeboden bewijs als overbodig en niet tot de beslissing der zaak kunnende leiden kan worden gepasseerd; dat het positum van den eischer is gegrond op art. 1546 B. W., en dat voor de ontvankelijk dier actie 2 vereischten moeten samengaan: èn dat de verkochte zaak een verborgen gebrek had, èn dat dezelve dientengevolge is vergaan ; dat de kantonrechter het diensvolgens dienstig en noodig heeft geacht den eischer ambtshalve op te dragen door getuigen mitsgaders alle middelen rechtens te bewijzen: 1°. dat de hem op den len Juni 1892 verkochte en geleverde witte hit later is gebleken reeds tijdens den koop te zijn behebt geweest met een verborgen gebrek, zijnde koppigheid ; 2°. dat bedoelde hit tengevolge van dit verborgen gebrek is gestorven ;

0. dat, nadat het bevolen getuigenverhoor had plaats gehad, de kantonrechter bij laatstgenoemd vonnis op grond van de verklaringen der gehoorde getuigen als bewezen heeft aangenomen, dat de aan eischer verkochte en geleverde witte hit reeds tijdens den koop koppig was, maar tevens, dat uit die verklaringen voortvloeit dat deze koppigheid niet als eenig bepaald gebrek is te beschouwen maar als eene eigenschap bij paarden en hitten meer voorkomende; en verder dat den reeds verkochten hit tusschen den 2en en 3en Jnni iets is overkomen, maar dat de dood van den hit niet is te beschouwen als een natuurlijk gevolg van zijne

koppigheid; , ....

O. dat de kantonrechter diensvolgens heeft beslist, met afwijking van het bij het interlocutoir vonnis aangenomene, waaraan de rechter niet gebonden is, dat de genoemde bij den hit geconstateerde eigenschap of slechte gewoonte „steegheid" genaamd volgens den geest der wet niet is te beschouwen als een koop vernietigend verborgen gebrek, en verder dat wel de eischer den dood van den hit niet heeft gesteld als te zijn het gevolg van het geposeerde gebrek, maar dat de conclusie der dagvaarding in verband met het ten processe genoemde vaststaande feit, de dood van den hit, tot het rechtsgevolg van art. 1546 B. W. leidt;

O. dat de kantonrechter op grond van de eerstgenomene beslissing den eischer in zijnen eisch niet-ontvankelijk heeft verklaard en hem mitsdien zijne vordering heeft ontzegd;

O. dat de eischer van beide vonnissen in hooger beroep is gekomen bij deze rechtbank en als grieven daartegen in hoofdzaak heeft aangevoerd, tegen het interlocutoir: dat bij dagvaarding niet algeheele, het geval van art. 1546 B. W. maar slechts gedeeltelijke teruggaaf van den koopprijs is gevorderd, en daaruit volgt, dat door hem is ingesteld de vordering van art. 1543 B. W. en hem alleen te bewijzen had behooren te zijn opgelegd, het bestaan van een verborgen gebrek bij den verkochten hit, en niet het sub 2°. door den kantonrechter gestelde feit, dat voor die vordering geen vereischte is en door hem dan ook niet was gesteld ; dat hij den dood van den hit als op zich zelf staand feit alleen had vermeld en te bewijzen aangeboden: 1°. omdat daardoor de in art. 1543 B. W. den kooper gegeven keuze was vervallen, 2°. om den kantonrechter in te lichten omtrent een gedeelte van de door hem geleden schade; — en tegen het eindvonnis:

dat de kantonrechter ofschoon door de verklaringen der gehoorde getuigen als volledig bewezen aannemende het door hem sub 1°. te bewijzen opgelegde feit, reageerende tegen zijn interl., heeft beSlist, dat koppigheid bij paarden en hitten geen verborgen gebrek is te achten, maar het eer een eigenschap van deze dieren is om te willen stil staan op plaatsen waar zij gewoon zijn te komen, daarvan echter in casu geen sprake kan zijn; dat hij op grond van het als bewezen aangenomen feit zoowel in zijne vordering behoort te worden verklaard ontvankelijk als dat die hem moet borden toegewezen ;

O. dat de geintimeerden daarop in hoofdzaak hebben geantwoord : dat de appellant, wanneer hij niet heeft gesteld dat de bit ten gevolge van het gestelde verborgen gebrek was gestorven reeds aanstonds in zijne vordering had behooren te zijn verklaard öiet-ontvankelijk en dit ook nu nog terecht is geschied, nu het bem door den kantonrechter opgelegde bewijs door hem niet is

geleverd, en om die reden hem eveneens terecht de vordering is ontzegd ;

In jure :

O. dat de gehoudenheid van den verkooper tot vrijwaring wegens verborgene gebreken van het verkochte goed wijziging ondergaat, indien de verkochte zaak binnen den korten termijn, waarbinnen de te dier zake ingestelde vordering moet zijn aangelegd, is vergaan ;

O. dat toch, indien dit vergaan door toeval is veroorzaakt, het verlies komt voor rekening van den kooper, terwijl daarentegen, indien de verkochte zaak, die verborgen gebreken had, tengevolge ddarvan is vergaan, het verlies valt voor rekening van den verkooper ;

O. nu dat de oorspronkelijke eischer wél bij dagvaarding heeft gesteld, dat de hem op 1 Juni 1893 verkochte hit leed aan een verborgen gebrek — koppigheid — en dat die hit op den 4en Juni d. a. v. is gestorven, maar dat door hem niet is gesteld, dat de dood het gevolg is geweest van dat verborgen gebrek;

0. dat de rechter, die voor zijn onderzoek en zijne uitspraak aan de bij dagvaarding gestelde feiten is gebonden, mitsdien door den eischer niet in de gelegenheid was gesteld, dienaangaande een onderzoek te doen plaats hebben, en daardoor tevens een onderzoek naar het al of niet hebben bestaan van een verborgen gebrek bij den hit kwam te vervallen, maar de eischer, nu appellant, in zijne vordering had behooren te zijn verklaard niet-ontvankelijk j dat derhalve het interlocutoir vonnis van den kantonrechter moet worden vernietigd, en het eindvonnis alleen in zooverre en op bovengenoemden grond kan worden bevestigd als de appellant daarbij is verklaard niet-ontvankelijk ;

Gezien artt. '1546 j". 1540 vlgg. B. W., artt. 343 vlgg. en 56 B. R.;

Vernietigt het interlocutoir vonnis van den kantonrechter van Breukelen—Nijenrode, alsmede diens eindvonnis, voor zoover den oorspronkelijken eischer daarbij zijne vordering is ontzegd;

Bevestigt overigens laatstgemeld vonnis;

Veroordeelt den appellant in de kosten van het hooger beroep.

KOLONIALE ZAKEN.

HOOG-GERECHTSHOF VAN NED.-INDIË.

Tweede Kamer.

Vice-President, Jhr. Mr. H. L. Wichers.

Raadsheeren, Mrs. : Essers en Phitzinger.

prAEJUDICIEELE quae8tie. — exceptie. — bevoegdheid. —

Eigen richting. — Noodweer. — Strafvordering. — Hooger beroep. — Staat van wijzen.

Waar de beklaagde de praejudicieele quaestie opwerpt en de strafrechter, van oordeel zijnde, dat de verdediging, waarop beklaagde zich beroept, een geschilpunt van burgerlijk recht betreft, waarvan de strafbaarheid van het ten laste gelegde feit af hankelijk is en dat de beklaagde ook voldoende bewijs heeft geleverd, om zijn beweerd recht waarschijnlijk te maken, de aangevangen rechtsvervolging zonder tijdsbepaling heeft geschorst, tot tijd en wijle de burgerlijke rechter hei al of niet bestaan van des beklaagdes, tot zijn verdediging ingeroepen recht van bezit zal hebben uitgemaakt, daar ontkent die strafrechter zijn bevoegdheid om het geschilpunt van burgerlijk recht zelf uit te makent en verwijst hij de zaak naar den burgerlijken rechter en heeft reeds bij voorbaat uitgemaakt, dat de uitslag van hei strafgeding afhankelijk zal zijn van de beslissing des civielen rechters, zoodat, valt deze ten gunste vau beklaagde uit, hij ook straffeloos moet blijven.

Daden van eigen richting zijn volgens de algemeene rechtsgronden ongeoorloofd in den rechtsstaat, maar zijn naar onze positieve strafwetgeving alleen strafbaar, wanneer daartegen bij eenige wetsbepaling is voorzien.

Alleen wanneer de strafwet de strafbaarheid van eenige daad met even zoovele woorden en in bepaalde gevallen uitsluit, of wanneer men zich beroepen kan op het, bij art. 30 van het Strafwetboek voor Europeanen erkend recht van noodweer, mag geene schuldigverklaring noch veroordeeling tegen den gedaagde worden uitgesproken.

Op hei gebied van strafrecht, tevens publiekrecht, is geen beroep op eenig privaat recht toegestaan, tenzij daardoor een element van het misdrijf komt te vervallen, doch is alleen geoorloofd het beroep op de evenzeer tot het publiek recht behoorende bevoegdheid tot wettige verdediging van zijn eigen of eens anders goed, zulks hetzij men zelf of een ander hierop een zakelijk, hetzij slechts een persoonlijk recht heefU uit overeenkomst of uit de wet voortspruitende, dat in zijne gevolgen de facto met den eigendom overeenkomt.

Door art. 365 S. R. voor Europeanen worden onder meer beschermd de beplantingen op eens anders grond aangelegd door bezitters, zelfs ter kwader trouw, door henr die op dien grond een zakelijk recht hebben, hetwelk een onderdeel is van den eigendom, door huurders en bruikleeners, zoomede de beplantinoen, bedoeld in de artt. 603 tot en met 605 B. W.

Volgens genoemde en ook volgens andere bepalingen van het B. W. is de burgerlijke wetgeving tegen daden van eigen richting gékant, daar zij niet alleen de tusschenkomst en beslissing des rechters telkens als onmisbaar veronderstelt, doch in art. 580 B. W. ook straf bedreigt tegen een daad van eigen richting en blijkens art. 666 B. W- deze laatste slechts, wanneer zij dat geraden acht, maar dan ook uitdrukkelijk toelaat.

Hij, die te veld staande oogst, van zelf opgekomen of aangelegd plantsoen van een ander verwoest kan zich niet met vrucht beroepen op zijn recht als veeljarig huurder van het veld, waarop de te veld staande oogst, het van zelf opgekomen of aangelegd plantsoen staat, noch op zijne bevoegdheid dientengevolge om het geincrimineerde feit straffeloos te plegen.

Kan er sprake zijn van wettige verdediging van eigen of eens anders goed, waar, aangenomen, dat de beklaagde geacht moet worden den door hem gehuurden grond bevorens te eeniger tijd feitelijk in bezit te hebben genomen, rechtens consteert, dat be• klaagde dien grond noch onmiddellijk daarvóór, noch tijdens het zaaien van het plantsoen occupeerde en hij dus geene wederrechtelijke feitelijke aanranding van zijn recht, waarvan onherstelbaar nadeel of wat redelijker wijze daarvoor moet worden gehouden te duchten stond, bij den aanvang daarvan heeft kunnen of willen afweren, veelmin heeft afgeweerd en zulks, op een tijdstip, dat de tusschenkomst van een rechter niet kon worden afgewacht, terwijl bvvendien uit beklaagdes bekentenis blijkt, dat hij eerst tot de strafbare handeling is overgegaan, nadat er eenige tijd was verhopen en er plantsoen uit den grond

was geschoten en dat hij beducht was voor oneerlijke concurrentie ? — Neen.

Met uitzondering van de bepalingen van artt. 195 en 196 zijn bij het Reglement voor de Strafvordering voor de Raden van Justitie op Java, enz. geene voorschriften gegeven, hoedanig de rechter van strafzaken in hooger beroep in verschillende voorkomende gevallen zal hebben te beslissen, waardoor de hoogere rechter verwezen wordt naar de gemeene rechtsleer, volgens welke men m hooger beroep te letten heeft op twee voorname grondbeginselen., te weten, dat de hoogere rechter doet, wat de lagere had behooren te doen en dai de beklaagde van zijn recht op twee instanties niet mag worden beroofd.

Waar, ook ten principale, door het Openbaar Ministerie in eersten aanleg is gediend van requisitoir, partijen ook ten aanzien der zaak zelve hunne beweringen en belangen mondeling hebben toegelicht en voorgedragen en de eerste rechter, de exceptie bij de hoofdzaak voegende, zich van de beslissing dezer laatste heeft gedesaisisseerd, daar is de hoofdzaak in staat van wijzen en kan de hoogere rechter onmiddellijk tot de afdoening der hoofdzaak overgaan.

Het Openbaar Ministerie bij den Raad van Justitie te Semarane appellant, B'

tegen

A. Bosman, beklaagde, geappelleerde.

Het Hoog Gerechtshof enz.,

Gehoord het rapport van den raadsheer Mr. J. F. Phitzinger nog gehoord de voorlezing der verklaringen van de in eersten aanleg gehoorde getuigen ;

mede gehoord den adv.-gen. Mr. Ch. H. Nieuwenhuijs in zijn namens den proc.-gen. ter terechtzitting genomen requisitoir, daartoe strekkende dat het Hoog-Gerechtshof met vernietiging van het door den Raad van justitie te Soerabaia in de zaak van den beklaagde gewezen vonnis dd. 6 Febr. 1893 jl. zal bevelen dat genoemde raad alsnog op de hoofdzaak zal recht doen en den bekl. zal veroordeelen in de kosten op het hooger beroen gevallen. r 6

Gezien de stukken waaronder de door den officier van justitie bij den Raad van justitie te Soerabaia ingediende memorie in hooger 'beroep ;

Overwegende dat het Openb. Min. ter bekwamer tijd is gekomen in hooger beroep van het in hoofde dezes vermeld vonnis en dit beroep, op grond van art. 189 voorlaatste alinea van het Regl op de Strafvord. enz. ontvankelijk is;

O. dat aan den bekl,, thans geappelleerde en defaillant bii requisitoir van dagvaarding in eersten aanleg is ten laste geleed

ü® c°P de° I8en Se,H- ïich met z'jDe mandoors Pa Naima' en Pa Sena heeft begeven naar een tabaksaanplant staande on grond van Pa Saboedin, in de dessa Bedadoeng, district en afdeeling Djember, en aangelegd ten behoeve van de tabaksonderneming „Goemelar" en daarna aan gemelde mandoors last heeft gegeven dien aanplant uit te trekken, aan welken last door hen is gevologegeven, en zulks ofschoon hij wist, dat gemelde aanplant aan een ander dan hem zeiven toebehoorde ;

O. dat de bekl., thans geappelleerde, zich hierdoor naar het oordeel van het Openb. Min., blijkens zijn aan het slot der terechtzitting ook ten principale gediend requisitoir, heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf van van art. 365 j° 377 Strafrecht voor de Europeanen;

0. dat de bekl., thans geappelleerde, deze vordering tot straf in eersten aanleg heeft begroet met de exceptie: „feci, sed jure feci;" deze heeft gegrond op zijn recht als veeljarig huurder van het veld, eerst in zijn geheel behoorende aan den getuige te Pa Saboedin, later aan dezen en zijnen zoon, getuige Pa Arian alias Sagie, waarop hij de geincrimeerde handeling had laten verrichten en op zijne bevoegdheid dientengevolge om die feitelijkheden straffeloos te plegen, daar zij alleen de strekking hadden om zijn goed recht op dat veld te handhaven;

O. dat de rechter a quo naar aanleiding dezer verdediging van oordeel zijnde, dat zij een geschilpunt van burgerlijk recht betrof waarvan de strafbaarheid van het ten laste gelegde feit afhankelijk was, en dat de bekl., thans geappelleerde, ook voldoende bewijs had geleverd, om zijn beweerd recht waarschijnlijk te maken, de aangevangen rechtsvervolging zonder tijdsbetalina heeft geschorst, tot tijd en wijle de burgerlijke rechter het al of niet bestaan van des beklaagdes, thans geappelleerden, tot zijne ver dedigmg ingeroepen recht van bezit zou hebben uitgemaakt met reserve van kosten; '

0. derhalve dat de eerste rechter bij zijn vonnis a quo ■

1. in afwijking van den rechtsregel; „jadex aetionis etiam est ludex exceptionis , zijne bevoegdheid om het geschilpunt van burgerlijk recht zelf uit te maken, in casu ontkent en de zaak daarom in zoover heeft verwezen naar den Burgerlijken rechter des competent (art. 409 Strafvord.); '

2. reeds bij voorbaat heeft uitgemaakt, dat de uitslag van het strafgeding afhankelijk zal zijn van de beslissing des' civielen rechters, zoodat, valt deze uit ten gunste van bekl., thans geappelleerde, laatstgenoemde straffeloos blij ten en anders in de termen der strafwet zal vallen ;

O. dat mitsdien thans de vraag rijst of de eerste rechter deze exceptie, blijkbaar deels van declinatoiren, deels van peremtoiren aard terecht en op juisten grond heeft geadmitteerd •

O. te dien aanzien dat zoowel op algemeene rechtsgronden vaststaat, dat daden van eigen richting in den rechtsstaat ongeoorloofd zijn, immers de rechtbanken zijn aangewezen om geschillen tusschen de individuen onderling, naar eisch van rechten uit te maken, — als naar onze positieve strafwetgeving dat zii alleen strafbaar zijn, wanneer daartegen bij eenige wetsbenalini' is voorzien (art. 26 A. B. j». 88 R. R.); welsoePallnS

dat alleen, wanneer de strafwet de strafbaarheid van eeniire daad met even zoovele woorden en in bepaalde gevallen uitsluit of, wanneer men zich beroepen kan op het bij art. 30 van het' Strafwetboek voor Europeanen erkend recht van noodweer eeene schuldigverklaring, noch veroordeeling tegen den dader worden uitgesproken; "

O dat art. 365 waarvan hier de rede is, voorkomt in de vierde afdeeling van het tweede stuk des tweeden boeks van het Wet boek van Strafrecht voor Europeanen, hetwelk tot titel voert misdrijven en overtredingen tegen de eigendommen (van anderen gelijk van zelf spreekt) en daarbij blijkbaar met voordacht en om juridische twistvragen af te snijden, de in andere, tot deze afdeeling behoorende artikelen voorkomende woorden „die hii vee dat aan anderen toebehooren" schijnen onderdrukt-

dat dus uit den aard der zaak straffeloos behoort te bliiven het verwoesten van te veld staande oogst, van zelf opgekomen of aangelegd plantsoen op eigen grond door den eigenaar zoo van grond als van gewas, alzoo door hem, door of voor wien' oosslen plantsoen op eigen grond zijn gekweekt of aangelegd dan wel op wiens grond dit laatste vanzelf is opgekomen •

dat hetzelfde geldt ten aanzien van ooïst 'of kweekt of aangelegd door en voor hem, die op den grond e'effg

Sluiten