Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is. Hij mag alzoo zeer zeker de aan zijne vrouw persoonlijk toebehoorende goederen verhuren, maar doet hij die bestuursdaad, dan handelt hij als zelfstandig hoofd der echtvereeniging.

C'est en qualité de chef que le mari administre les biens de la' communauté,- au contraire, 1'administration des biens de la De femme est pour lui un attribut de la puissance martiale" zooals m. i. Baudry (Précis. tome III pg. 83) terecht schrijft.

Het moge waar zijn, dat volgens ons oud Hollandseh Recht de vrouw stond onder de voogdij van haren man, maar die toestand bestaat niet meer en terecht wijst Diephuis (IV bl. 170) op het verschil in menigerlei opzicht tusschen den toestand van de P. getrouwde vrouw en den onder voogdij staanden minderjarige.

De man nu beheert, krachtens zijn maritaal recht, de aan zijne vrouw persoonlijk toebehoorende goederen — evenals zijne eigene en die van de gemeenschap — en voor de daden, die hij als tij zoodanig verricht, is niet de vrouw, maar in de eerste plaats de w> man aansprakelijk, zoodat waar, zooals in casu, de man in de vt hoedanigheid van bestuurder zeker perceel heeft verhuurd, niet de vrouw, maar de man in den zin der wet als verhuurder moet vï worden beschouwd. De grond van de bepaling van al. 3 van art. h( 160 moet dan ook niet gezocht worden in „een algemeene volmacht d( door de vrouw stilzwijgend aan den man gegeven zooals sommige sc meenen (o. a. Land I pag. III) maar wel in het feit dat de zc man is hoofd der echtvereeniging en dat hij als zoodanig administreert, d( zie Laürent XXII, pg. 121 en ook pg. 127 waar hij schrijft: ei „il ne peut pas s'agir d'un mandat d'administration puis que r« le mari est de droit administrateur". 0

Tegenover het beroep door den geachten pleiter op een arrest ei door het Hof van Orleans gewezen, meen ik te mogen opmerken dat men met een beroep op de Fransche jurisprudentie in deze d materie hoogst omzichtig moet zijn, daar toch het Fransche d huwelijksrecht in menig opzicht van het Nederlandsche verschilt e; en de bepaling van art 160 B, W. zelfs grootendeels in het Fransche zi recht niet wordt aangetroffen. 11

Het middel mij alzoo ongegrond voorkomende, heb ik de eer b te concludeeren tot verwerping met veroordeeling van den eischer ri in de kosten. v

De Hooge Raad enz., §

Gehoord den eischer bij monde van zijnen advocaat;

Gezien de conclusie van den verweerder, die zich refereert aan 1 het oordeel van den Hoogen Raad ;

Gezien de overige stukken ; '

Overwegende dat als middel van cassatie is voorgesteld : Schen- 0 ding en verkeerde toepassing van de artt. 160 en 1594 B. W., I 68—74 en 353 B. R., door te beslissen dat de man die de onroerende goederen, welke aan zijne vrouw persoonlijk toebehooren, zonder e hare medewerking, al of niet met hare voorkennis, verhuurt, alleen 1 zich zeiven —onder verantwoordelijkheid tegenover zijne vrouw— li maar niet deze laatste verbindt, en door op dien grond het ver- i zoek tot vrijwaring te verwerpen; ^

O. dat deze bewering — dat in het aangevallen arrest zou beslist zijn, dat de gehuwde man, die de aan zijne vrouw toebe- £ hoorende goederen zonder hare medewerking en niet met hare z voorkennis verhuurt, alleen zich zeiven en niet zijne vrouw ver- 1 binden zou, feitelijk is ongegrond, vermits dit in het arrest niet 1 is uitgesproken en niet aldus kan zijn bedoeld, waar de vrouw ( tot de bedoelde vrijwaring niet verplicht is geoordeeld, omdat de 1 verantwoordelijkheid van den man voor zijne handelingen als > bestuurder wordt aangenomen en de aansprakelijkheid van de vrouw wordt ontkend in dien zin, dat zij in den tegenwoordigen stand der zaak, d. i. staande huwelijk, in geen geval verplicht zou I zijn, den beweerden huurder tegen den eisch tot ontruimen en ! verlaten van het goed te waarborgen ;

0. daaromtrent, dat de man krachtens het huwelijksrecht vol- | gens art. 160 B. W. de goederen zijner vrouw — tenzij het tegendeel bedongen zij, waarvan hier geen sprake is — beheert; dat hij dit beheer krachtens het huwelijksrecht zelfstandig uitoefent i en zich met betrekking tot dit beheer verbindt, zonder dat de vrouw daaraan rechtens tegenover derden deel neemt en zonder dat zij daarvoor tegenover derden in rechten kan optreden, omdat de man uitsluitend alleen over dat beheer beschikt en beslist, en zelfstandig in rechten tegenover derden optreedt, zoolang zijne huwelijksrechten onverminderd blijven bestaan ; hetgeen niet uitsluit, dat de vrouw door de handelingen van haren echtgenoot kan verbonden worden en na ontbinding van het huwelijk, of wanneer de rechten van den man op het beheer uit anderen hoofde geheel of gedeeltelijk verloren zijn, voor den rechter tegenover derden kan verschijnen om voor hare rechten, uit het beheer voortgevloeid, te waken en aan de daaruit voortgesproten verplichtingen te voldoen;

O. dat dergelijk ingrijpen in het beheer harer goederen, hetwelk de wet (behoudens de voornoemde uitzondering van art. 160 B. W.) uitsluitend aan den man opdraagt, met de wet in strijd zou zijn, zoolang de huwelijksrechten van den man niet door ontbinding van het huwelijk, scheiding van goederen of buitengewone omstandigheden zijn opgeheven (waarvan hier geen sprake is), en dat alzoo terecht in het aangevallen arrest is beslist, dat in deze de gehuwde vrouw niet in vrijwaring kan geroepen worden, om aan derden de rechten te waarborgen, die zij beweren door de huurovereenkomst met den man betreffende het door hem beheerde goed der vrouw te hebben verkregen;

0. dat het middel derhalve ongegrond is ;

Verwerpt het beroep in cassatie;

Veroordeelt den eischer in de kosten daarop gevallen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 30 Juni 1893.

Voorzitter, Mr. M. H. 's Jacob.

Raadsheeren, Mrs.: S. Wildschut, D. L. de Leao Laouna, J. G. Vogel en W. F. van Deinse.

Advocaat-Generaal, Mr. A. J. E. Jolles.

Artt. 771, 782 B. R.

Als nalatig rekenplichtige in den zin van art. 771 B. R. moet worden aangemerkt een ieder, die tot het doen van rekening en verantwoording verplicht, bij het eindigen van zijn beheer — ook zonder daartoe bepaaldelijk gesommeerd te zijn — niet, hetzij daartoe overgaat, hetzij van de hem bij art. 782 van gemeld wetboek toegekende bevoegdheid, gebruik maakt.

Be omstandigheid, dat boeken en bescheiden, tot des rendants beheer

behoorende, in handen van den gerendeerde zijn, staan dan de va

vordering tot rekening en verantwoording niet in den weg. tiji

ge

De burgemeester der gemeente Beverwijk, als zoodanig die gemeente in rechten vertegenwoordigende en voor haar optredende, a appellant, procureur Mr. A. Philips Jr., advocaat Mr. F. Willekes Mac Donald, uit Haarlem,

ge

tegen de

P. D., bureauklerk, wonende te Amsterdam, geintimeerde, procureur Mr. F. C. N. Dammers, advocaat Mr. A. P. de Lanoe, tei

uit Alkmaar. 1)11

vc

De overwegingen in rechten van het bij 's Hofs arrest vernietigde (in strijd met de conclusie van den officier van justitie gewezen) vonnis der Arrond.-Rechtbank te Haarlem luiden als c volgt:

Overwegende dat als tusschen partijen in confesso ten processe P» vaststaat' dat de gedaagde als gemeente-ontvanger te Beverivijk, is het beheer heeft gevoerd over de geldmiddelen dier gemeente van 'e den 12 Maart tot den 6 Oct. 1890, op welk tijdstip hij werd geschorst, terwijl hij bij Raadsbesluit van den 28 Oct. d. a. v. als zoodanig werd ontslagen, waarna hij bij deurwaarders-exploit van den 7 Sept. 1891, terwijl hij te Utrecht gevangen zat, door m eischer qq. werd gesommeerd om binnen 5 dagen af te leggen ei rekening en verantwoording van het door hem als gemeente- ot ontvanger gevoerde beheer; met overlegging van alle bescheiden di en afgifte van alles wat hij te dezer zake onder zich had ; ë'

dat de ged. daarop bij deurwaarders-exploit van den 22 Sept. d. a. v., te" wijl hij nog gevangen zat, aan den eischer qq. heeft d< doen antwoorden dat hij gaarne bereid was de verlangde rekening b< en verantwoording af te leggen indien de geinsinueerde van zijne ▼' zijde de gevraagde rekening en verantwoording mogelijk wilde ai maken door de daartoe behoorende registers, papieren, boeken en vi bescheiden, die de geinsinueerde onder zich had genomen, gedu- ai rende een bekwamen tijd ter beschikking te stellen van hem of van zijnen daarbij genoemden raadsman ;

dat de eischer qq. zonder tijd en plaats te bepalen waarop de n ged. na afloop van zijn straftijd, of wel eerder gedaagdes raads- d man, gemelde boeken, papieren en bescheiden zou kunnen raad- ti plegen, ten einde daaruit de gevraagde rekening te formeeren, en P zonder het feit tegen te spreken, dat hij, eischer, in het bezit was v van de kas, de registers, de boeken en papieren betreffende ge- e daagdes beheer, dezen heeft doen dagvaarden ten einde zich te z hooren veroordeelen tot het afleggen dier rekening ;

0. nu dat geen termijn is bepaald binnen welken een ontslagen z gemeente-ontvanger verplicht is rekening en verantwoording af te z leggen van zijn gevoerd beheer, en dat mitsdien voor de ontvan- » kelijkheid der ingestelde actie behoort vast te staan dat de ged., r na behoorlijke in verzuimstelling in gebreke is gebleven aan zijne t' verplichting te voldoen ;

O. hieromtrent, dat eene in verzuimstelling alleen dan kan ge- ' acht worden behoorlijk te zijn, indien de geinsinueerde, voorzoover zulks van den insinuant kan worden geëischt, in de gelegenheid is gesteld om aan het van hem gevorderde te voldoen, maar dat het voor een ontslagen gemeente-ontvanger uit den aard der zaak onmogelijk is rekening en verantwoording af te leggen van zijn beheer zoolang niet de boeken en bescheiden tot zijne gevoerde administratie betrekkelijk, voor zooveel noodig, te zijner beschik- ^ king worden gesteld ; _ . ,

O. dat het argument van den eischer qq. dat hij, eischer, met gerechtigd zou zijn die boeken en bescheiden ter beschikking van ged. of diens raadsman te stellen en dat hij niet eens zelf daar- t over beschikken kon, alleen dan zou kunnen opgaan indien de s ged. eene vrije of volstrekte beschikking over die boeken had gevraagd, doch dat voor dergelijke opvatting van gedaagdes verzoek c niet de minste aanleiding bestond, daar toch het vragen van be- c schikking over een voorwerp tot een bepaald doel niet anders kan « beteekenen dan eene beschikking voor zoover die tot dat doel noodzakelijk vereischt wordt, zonder meer;

O. immers, dat ook onze wetgever, waar hij het woord „be- ■' schikking" in ruimeren zin wil hebben opgevat, daaraan toevoegt ■ het woordje „vrije" (art. 769, al. 2 B. W.), of wel „op de vol- < strektste wijze" (art. 625 B. W.), waaronder dan ook het recht tot vernietiging is begrepen; , ,

O. dat derhalve de ged. als niet kunnende geacht worden behoorlijk te zijn in verzuim gesteld, vooralsnog kan volstaan met zijne bij conclusie van antwoord gedane bereidverklaring.

Het Hof enz.,

Gehoord partijen-,

Gehoord de conclusie van het Openb. Min. daartoe strekkende: dat het Hof het vonnis a quo zal vernietigen; de vordering, zooals zij is ingesteld, alsnog zal toewijzen met veroordeeling van den geintimeerde in de kosten der beide instantiën ;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken zich gedragende aan hetgeen omtrent de daadzaken en de gevoerde procedure reeds is vermeld in het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Haarlem, dd. 31 Mei 1892, tusschen partijen gewezen en dat overnemende, en voorts:

Overwegende dat bij dat vonnis de app., destijds eischer, met zijne veroordeeling in de kosten van het geding, is verklaard nietontvankelijk in zijne voor die Rechtbank tegen den geint., destijds ged., ingestelde vordering, strekkende : tot veroordeeling van dezen om binnen een bij het vonnis te bepalen termijn ten overstaan van een daartoe te benoemen rechter-commissaris te doen rekening en verantwoording van het door hem, ged., in zijne betrekking van gemeente-ontvanger van Beverwijk gevoerde beheer over de geldmiddelen dier gemeente;

0. dat de app. ter bekwamer tijd van dit vonnis in hooger = beroep gekomen zijnde bij dit Hof, bij memorie van grieven op de daarbij aangevoerde gronden en ontwikkelde bezwaren, de juistheid van het gewezen vonnis bestrijdende heeft geconcludeerd, tot vernietiging van dat vonnis, en tot ontvankelijkverklaring alsnog van hem, app., in zijnen in eerste instantie gedanen eisch en genomen conclusien, immers tot toewijzing daarvan, met bepaling, dat de gevorderde rekening en verantwoording zal worden gedaan binnen een bij 's Hofs arrest te bepalen termijn ten overstaan van een daartoe bij het arrest te benoemen rechter-commissaris uit de , Rechtbank te Haarlem of zoodanige andere Rechtbank als het ' Hof daartoe zal aanwijzen, met uitvoerbaarverklaring van het te wijzen arrest bij voorraad, niettegenstaande cassatie, zonder borgtocht, en met veroordeeling van den geint. in de kosten van beide instantiën;

0 dat de geint. bij memorie van antwoord zijnerzijds het vonnis ' waarvan appel, als juist gewezen verdedigende, op de door et hem aangevoerde gronden, heeft geconcludeerd: tot bevestiging m van dat vonnis en subsidiair voor het geval het vonnis waarvan — appel mocht worden vernietigd, tot ontzegging aan app. van zijne t, genomen conclusien en diens niet ontvankelijk-verklaring daarin, i» alles cum expensis als volgens de wet;

Wat betreft het recht:

en afgifte van alles wat hij te dezer zake onder zich had ;

. ® j J Arxn Cl

0. dat tusschen partijen is onbetwist en alzoo ten processe vaststaat: dat de geint. gedurende het bij dagvaarding vermelde tijdvak als gemeente-ontvanger van Beverwijk, het beheer heeft gevoerd over de geldmiddelen dier gemeente; dat hij op 6 Oct. 1890 als ontvanger is geschorst en op 28 Oct. d. a. v. als zoodanig is ontslagen, dat hij nog geen rekening en verantwoording van het door hem in die betrekking gevoerde beheer heeft gedaan, en evenmin heeft gebruik gemaakt van de bij art. 782 B. R. gegeven bevoegdheid om den app. qq. tot het opnemen en sluiten der door hem, geint., af te leggen rekening te doen dagvaarden ;

O. dat uit deze vaststaande feiten volgt: 1°. des geintimeerden ten processe dan ook door hem zeiven niet weersproken verplichting, tot het doen van rekening en verantwoording van zijn gevoerd beheer;

2°. dat de geint. is nalatig rekenplichtige;

dat dit laatste wel door den geint. is ontkend, en evenzoo ook door den eersten rechter is beslist dat dit niet het geval is, omdat: (zooals bij het vonnis wordt betoogd) terwijl geen termijn is bepaald binnen welken een ontslagen gemeente ontvanger verplicht is rekening en verantwoording van zijn gevoerd beheer af te leggen, de geint. in casu niet behoorlijk in verzuim is gesteld;

dat het Hof zich echter met deze bewering van den geint. en beslissing van den rechter a quo niet vereenigt, maar van oordeel is, dat als nalatig rekenplichtig in den zin van art. 771 B. R. moet worden aangemerkt een ieder die tot het doen van rekening en verantwoording verplicht, bij het eindigen van zijn beheer — ook zonder daartoe bepaaldelijk gesommeerd te zijn — niet hetzij daartoe overgaat, hetzij van de bovenbedoelde hem bij de wet gegeven bevoegdheid gebruik maakt;

0. dat uit het reeds overwogene alzoo voortvloeit dat de vordering van app. als voorzooveel haar feitelijken grondslag betreft bewezen, en als op de wet gegrond, met vernietiging van het vonnis waarvan appel, waarmede de app. zich terecht bezwaard acht, behoort te worden toegewezen, met uitzondering evenwel van den gevorderden lijfsdwang als waartoe het Hof geene termen aanwezig vindt;

dat verder de bezwaren die er volgens geint. op dit oogenblik voor hem bestaan tegen het voldoen aan zijne verplichting tot het doen van rekening en verantwoording doordien onderscheidene boeken en bescheiden tot zijne gevoerde administratie betrekkelijk zich niet ter zijner beschikking maar zooals tusschen partijen in confesso is, nog onder handen van den app. qq. bevinden, hem, geint., wellicht in den verderen loop dezer rekening en verantwoordingsprocedure aanleiding zullen kunnen geven om zulks geraden achtende, nader bij incidenteele vordering die bezwaren aan het oordeel van den rechter te onderwerpen maar

zijn ook bij het vonnis a quo als juist aangenomen — beroep daarop,

zijne verplichting tot het doen van rekening en verantwoording niet kan wegnemen en aan de toewijzing van appellants vordering strekkende tot zijne veroordeeling om aan die verplichting te voldoen niet kan in den weg staan ;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde wetsartikelen, de artt. 772, 773, 53 en 56 B. R.;

Rechtdoende in hooger beroep :

Vernietigt het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Haarlem, dd. 31 Mei 1892 tusschen partijen gewezen;

En alsnu op nieuw rechtdoende:

Verklaart de vordering van den app. ontvankelijk en wijst hem die, behoudens de hiervoren vermelde uitzondering toe;

Veroordeelt mitsdien den geint. om binnen 6 weken na de beteekening van dit arrest te doen rekening en verantwoording van het door hem in zijne betrekking van gemeenie-ontvanger van Beverwijk gevoerde beheer over d.e geldmiddelen dier gemeente, ten einde desnoods na debat dezer rekening te geraken tot vaststelling van het saldo daarvan ;

Bepaalt dat die rekening zal worden gedaan en beoordeeld voor de Arrond.-Rechtbank te Haarlem, en ten overstaan van het lid dier Rechtbank Mr. Del Coürt van Krimpen die bij deze tot dat einde wordt benoemd tot rechter-commissaris;

Verklaart dat de geint., als hij in gebreke mocht blijven om op den daartoe door den rechter-commissaris te bepalen dag te verschijnen of rekening te doen, daartoe zal kunnen worden genoodzaakt door in beslagneming en den verkoop zijner roerende en onroerende goederen tot een bedrag van f 5000 ;

Verklaart deze veroordeeling uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande heroep in cassatie zonder verplichting tot het stellen van borgtocht;

Reserveert de kosten tot de eindbeslissing.

A&RONIJ18SEMENTS-RECHTBAN KEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ALMELO. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 25 Januari 1893.

Voorzitter, Mr. A. van Laer.

Rechters, Mrs.: B. Mulder en J. v. W. Palthe.

Waar tusschen Jcooper en verlcooper is overeengekomen dat de eerste gerechtigd zoude zijn tot een zekere schadeloosstelling 1 voor eiken dag te late aflevering, is die schadeloosstelling voor

5 niet-tijdige aflevering verschuldigd zonder dat de verkooper op

rechtsgeldige wijze is in gebreke gesteld.

De kooper die wegens niet-tijdige aflevering de bedongen schade* loosstelling vordert, behoeft niet te bewijzen dat hij door die te

) late aflevering schade heeft geleden.

5 Wanneer in een contract poenaliteit bedongen is voor eiken dag te

» late aflevering, heeft zulks ook betrekking op de Zon- en feest-

dagen, 200 in het contract geen melding wordt gemaakt dat

1 die dagen niet in rekening zouden worden gebracht.

a De Handelsvennootschap onder de firma L. en C. Steinmüller, e gevestigd te Gummersbach, in Rhein-Pruisen, Keizerrijk Duitsch,t land, eischeres, procureur vroeger Mr. W. ten Bruggen Cate, e daarna Mr. G. Kortenbout van der Sluys,

tegen

8 de Handelsvennootschap onder de firma ter Kuile en Morsman, gevestigd te Enschede, gedaagde, procureur Mr. R. E. Hattjnk.

>r

g De Rechtbank enz.; n Wat aangaat de daadzaken :

ie Overwegende dat de eischeres, vooruitstellende: dat zij, in 1889,

2 aan de gedaagde heeft verkocht en in Jan. 1890 geleverd een ' stoomketel van haar systeem en patent, van 212 M\ verwarmingsoppervlakte, 12 atmospheren druk, met compleete armaturen

Sluiten