is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad der Vereenigde Nederlanden; opgerigt bij besluit van zijne Koninklijke Hoogheid den Heere Prinse van Oranje-Nassau, soeverein vorst der Vereenigde Nederlanden enz. enz. enz. van den 18 december 1813 no.5, 1815, 01-01-1815

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vl3. Des iïoödig bevóndèn wordende, zullen dé bejchul™ 'gtïen en dé gètuigen onderling geconfrotiteêid worden.

114. De antwoorden van den beschuldigden , deszelfs Veihoor of de confrontatie, zullen door den secretaris met a"e naauwkeurigheid worden opgeteekend, daarna aan den "eschuldigden worden'voorgelezen en door hem ondertee«end; bij weigering of onkunde in het schrijven van den beschuldigden , wordt daarvan behoorlijk aanteekening gehouden onder het verhoor, en de acte van dezelfde kracht ^houden als of de onderteekening werkelijk ware geschied.

j i5. De verhooren worden gehouden voor eene commissie Hit den krijgsraad, ten zij, op voordragt van den auditeur, triogt begrepen worden dat dezelve, om gewigtige redenen, voor den vollen krijgsraad zouden behooren plaats te hebben.

116. De auditeur zal zich bevlijtigen Om de verhooren , *°o spoedig mogelijk , te doen voltrekkeD.

117. Het verhoor voltrokken zijnde, zal de auditeur dierlijk binnen den tijd van tweemaal vier-en-twintig uren °f zoo veel vroeger als de zaak voor afdoening vatbaar zal '-'ju, 'zljnë schriftelijke conclusie bij den krijgsraad inleveren,

118. Dë conclusie moet bevattèn een kort, eenvoudig, ^'och duidelijk Verhaal van het geval, zoo als dit uit de )e wij zen blijkt te hebben plaats gehad, met een betoog van . bekiaagdehs schuld en allegatie der wet of artikelen, die 1,1 de decisie kunnen Worden toegepast.

119. Wanneer de auditeur vermeent dat de onschuld VaiV den beklaagden blijkt, moet dezelve concluderen tot Vr ij spraak , daarbij voegende , « of dat bij den krijgsraad in " yeze zoodanig anders zal worden gesententieerd als dezelve " goede justitie zal oordeelen te behooren. »

120. Van des beklaagden onschuld niet blijkende, maar de bewijzen niet voldoendë zijnde opa den beschuldigden