is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1816, 01-01-1816

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstandigheden gewijzigde premien uitteleveii en uit 'slands kas te betalen, van des te meer kracht en klem zijn, naar mate de toestand van aaken te dezen opzigte zoo veel ongunstiger is dan in de beide voormelde jaren , en mitsdien ee<i« proeve willende nemen in hoe verre gelijksoortige maatreger [en als toen ter tijd zijn genomen, vermogend en voldoende zullen zijn om het voorgestelde doel tot aanwakkering en herstel der voorschreven visscherij en handel te bereiken;

ZOO IS HET, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1.

Aan de directeuren of boekhouderen der reederijen van 'Ie twaalf eerste schepen , van honderd vijftig tot twee honderd lasten, welke in liet tijdvak van den eersten Januari ioi5 t den eersten Januari 181Ü, voor rekening van ingezetenen dizer landen, met een volkomen vleet van zes tot zeven sloepen, en viei-en-dertig tot veertig man equipagie of daar en boven, ter Walvisc.h- en Robbenvangst naar Groenland ol btraatDavids uit de Vereenigde Nederlanden zullen zijn in zee gestoken' zal eene premie van uitrusting, ter somma van vier duizend guldens , uit 'slands kasse worden betaald.

Art. 2„

Gelijkerwijze za! aan ieder zoodanig schip ter Groenlandsof Straat-Qavids-Visscherij uit de havens dezer landen uitgevaren en gebruikt als in artikel I is omschreven , eene premie van schaêvergoeding, ter somme van vijftig guldens voor ieder kwartdeel traan uit 'slands kasse worden goedgedaan, betwe.k , hetzelve minder dan honderd kwartdeelen binnen de Vereenigde Nederlanden zal hebben aanheb ragt, mits hetzelve schip in Groenls id tot den zevenden Juli, boven de twee-en-zeTentie graden , of in de Straat - Davids tot den tienden Juli, boven de vijf-en-zestig graden, en alzoo eenen behoorlijken tijd ter plaatse waar eene Walvischvangst had kunnen vallen, zij verbleven, en vervolgens zonder «enige vreemde haven te. hebben aangedaan (ten zij ingeval van hoogen nood) , a. het door hetzelve gevangen spek in eene der havens van dezen ötaat hebben binnen gebragt; en zal gezegde premie mitsdien niet genoten worden van schepen die op de uitreize, zonder m • Visscherij geweest te zijn, maar wel van schepen die op de ^