is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1816, 01-01-1816

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. i5o.

Geene /aarijlen, tra/ijken of bedrijven in impost sub«• jecle specien opterigten , zonder admissie.

Geene nieuwe fabrijken of trafijken, impost sabjecte speciën verwerkende of fabricerende, desgelijks geene nieuwe bedrijven, waartoe crediet voor den impost benoodigd is, zullen van nu voortaan, zoo veel het onvrije territoir aangaat, aangelegd of opgerigt mogen worden dan in de beslotene steden, welke op, in , of aan het gedachte onvrije territoir gevonden worden

Üe exceptiei>, welke het belang van den handel of van liet tvalijkwezun in dezen zoude mogen vorderen, zullen uitdrukkelijk aan deu Koning Yerbieven zijn.

Art. 101.

Vervolg.

Desgelijks zal, buiten de kleine winkelnering, vermeld in art. dezer wet, geene nering noch bedrijf in specien, waarvan de impost bij de indirecte belastingen effectivelijk is of had behooren betaald te zijn, op het onvrije territoir aangevangen mogen worden, dan in beslotene steden, of wel de kom van opene gemeenten van meer dan twee duizend jtielen geaglomereerde populatie.

Art. i52.

Nader vervolg.

De deelnemers of belanghebbende in alle opterïgtene aanteleggene, of bereids opgerigtte en aangevangene bedrijven, tralijken of fabrijken en handels-ondernemingen in impost subjecte specien op het onvrije territoir (de kleine bij art. 07 geadmitteerde winkeliers uitgezonderd), zullen, binnen den tijd van drie maanden na de publicatie dezer, van de bereids bestaande aangifte moeten doen, en, wat de nieuwelings aan te vangene betreft, alvorens daartoe over te gaan, door middel van den Directeur der Indirecte Belastingen in hunne provincie, het consent vragen van de Generale Directie der Indirecte Belastingen , en bij deze aangifte of dat

D 5 ver-