is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1816, 01-01-1816

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Dat er steeds twintig ten honderd aan waarde bovenliet bedrag der gevorderde zekerheid gedeponeerd worde.

c. Dat de borgstelier, ingeval van daling der goederen of deterioratie, tot eene nieuwe of suppletoir© zekerbeid zal moeten overgaan, op den voet van lett. J des 2uSten artikels hier boven.

De ambtenaren en plaatselijke autoriteiten zullen gehouden Wezen , in het geval der personele cautien, een wakend oog te houden op de soliditeit der borgen, en zuüen , bij suspicie deswege, de besturen, belast met de justificatie, de daarin geconcerneerde ambtenaren van hunne vermoedens waarschuwen, ten einde en de een en de andere van deszelfs diligentie zoude kunnen doen blijken.

Desgelijks zullen de ambtenaren, ten behoeve en op rekwisitie van wier administratie waren en koopmanschappen gedeponeerd zijn, op dezer voortdurende waarde moeten letten, en de beëedigde taxateuren hun daar mede moeten bekend houden, even zeer als de opzieners des entrepóts zullen moeten letten op derzelver conservatie oi bederf; een en ander, ten einde elk van hun als boven, van deszelfs diligentie zoude kunnen doen blijken.

Art. 5o.

Cautiestelling door ambtenaren.

De borgtogten der ambtenaren zullen bij voorkeur moeten gesteld worden op den voet van art. 27 dezer wet, dat is door storting van penningen, ten ware deswege andere bepalingen mogten zijn of worden gemaakt.

Het zal nogtans der Generale Directie van de Indirecte Belastingen verbleven zijn, om, naar gelang van omstandigheden en de hoegrootheid der som, en op den voet van de nader te maken bepalingen, de ambtenaren, op hun verzoek, voor zekeren tijd te admitteren tot het stellen van reële of personele cautie.

Art. ol.