is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1816, 01-01-1816

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 107,

De lootscn zullen niet vermogen toetelaten, dat de naar zee gaande schepen, tussclien de plaats der inlading en de uiterste wacht, of ook verder binnen aats,eenige koopmanschappen innemen of lossen, ten zij in de gevallen en op de wijze in art. g5, io5 cn io4 gemeld; zij zuilen ook geene gchepen naar zee mogen brengen, dan na zich de acle van uitklaring te hebben doen vertoonen : alles op de boete van vijf honderd guldens, tot welker voldoening zij, in cas van nonbetaling, bij parate executie van hunne gereedste goederen, geconstringeerd en des naods gegijzeld zullen worden,

Art. io3,

Dc commisen op dc uiterste wacht zullen aanteekening en registers houden van de schippers en schepen, die door hen gevisiteerd en geklaard zijn, en te dien eindo kunnea vo'stann , mits alleen aanteekenende den naam van (lezeive schippers en schepen , met bijvoeging van den dag wanneer, om bij verlies of verlegging van de acten van visitatie en klaringen, en bij andere gelegenheden, daartoe yecours te kunnen nemen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Van den uitvoer langs de rivieren.

Art. 109.

Des Rijks regten van de goederen, uitgaande langs de yivieren, zullen moeten betaald worden ter plaatse van de eerste inlading of afscheping, voor ^00 verre aldaar een kantoor van inkomende en uitgaande regten aanwezig is, cn anderzins aan de kantoren der binnenlinie, welke nader zul'en aangewezen worden, alwaar dezelve iu alle gevallen fan de visitatie onderworpen znllen zijn.

Art. 110,

En zijn met opzigt tot het uiteaan langs de rivieren mede van toepassing de bep ling in art. gS dezer wet vervat, en ook de artikelen 96 , 98 en 99, indien de inlading is geschied op eeue plaats alwaar ejn kantoor bestaat.

Ait. Uï,