is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1818, 01-01-1818

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sch.p, hetgeen, voor rekening van Onze onderdanen in dit Rijk uitgerust, uit eene der havens van hetzelve in de maanden December en Januari van vijf en-vijftig tot zesen-vij flig graden op, en benoorden het Doggers zand, of ook wel meer oostwaarts, tot op tien of twaalf mijlen van de Jutlandsche kust, en in Februari en Maart, van zesen-vijftig tot zeven-en-vijftig graden aan de groote Visschersbank, of ook wel westelijker aan het Steile Doggerszand , van den eersten December dezes jaars, tot in de lente van het jaar 1821 ingesloten, de Beug-visscherij zal uitoefenen.

II. Gekommitteerden bij de gezamenlijke Reeders der Yslandsche- of Kabeljaauw-Visscherij in elke Provincie zullen jaarlijks, vóór den eersten Juni , aan het kollegie van Gedeputeerde Staten , moeten opgeven het getal der schepen , die, gedurende den vorigen winter, uit zoodanige provincie ter Beug-of Wintervaart, op den voet als in liet vorige artikel is bepaald, zijn gebezigd geweest, niet uitdrukking van de namen der schepen en derzelver boekhouders, met vermelding van den uitslag dier Visscherij, en met overlegging van een certificaat, zoo van de plaatselijke Regering, alwaar elk dezer schepen respectivelijk zal zijn uitgerust , als van den aldaar residerenden Hoofd-amblenaar der I11- en Uitgaande Regten en Accijnsen, waaruit zoodanige uitrusting behoorlijk zal kunnen blijken; alle welke stukken, bij de Gedeputeerde Provinciale Staten, in behoorlijke orde bevonden zijnde, door hen aan het Ministerie voor het Publieke Onderwijs, de Nationale Nijverheid en de Koloniën, met derzelver advies, zullen worden toegezonden, om bij hetzelve Ministerie vervolgens de noodige ordonnantiën van betaling, ten behoeve van elk der onderscheiden belanghebbenden, te kunnen doen opmaken en afgeven, 11a het bekomen Onzer, in art. 5 te vermelden dispositie.