is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1822, 01-01-1822

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gezien het negende hoofdstuk, der grondwet;

Den Raad van State gehoord;

En in aanmerking nemende de noodzakelijkheid om in de benoeming en aanstelling der leden van de onderscheidene dijk- en polderbesturen, zoo veel mogelijk , en met in achtneming der plaatselijke reglementen en gebruiken , op eenen eenparigën en regelmatigen voet te voorzien, en zulks naar aanleiding en overeenkomstig den geest en de bedoeling der grondwet en het meerder of minder onmiddellijk toezigt, hetwelk, hetzij aan het algemeen bestuur, hetzij aan de Staten der provinciën, is toegekend;

Hebben besloten en besluiten:

Art- i. De dijkgraven , presidenten en verdere leden van alle hooge en andere heemraadschappen, wateringen , waterschappen , dijken , polderbesturen en andere dergelijke kollegien hoe ook genaamd, aan welke eenige beheering over rivier- of zeewaterkeerende dijken of werken is toevertrouwd , mitsgaders de secretarissen, dijkschrijvers, griffiers, rentmeesters of penningmeesters, welke bij deze kollegien fungeren , voor zoo ver dezelve door den Souverein , de Stadhouders in der tijd , de voormalige provinciale hoven oi eenige andere publieke autoriteit plagten benoemd