is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1822, 01-01-1822

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51. Ge ju stoker, brander of handelaar in het groot zal, uitgezonderd in het geval in art. 44 omschreven, behalve in zijn woonhuis, ter eigene con— sumtie , eenig veraccijnsd gedisteleerd, hetzij voor zijn eigen handel, het zij in kompagnieschap of meteenig aandeel in zoodanigen handel, mogen opslaan in eenig pakhuis , kelder, zolder of andere bergplaats , gelegen binnen zoodanigen afstand van eenige bergplaats van gedisteleerd onder doorloopend crediet, als door den daartoe te bepalen ambtenaar, naar de plaatselijke gelegenheid, zal worden vastgesteld, behoudens beklag bij den directeur van de provincie, of des noodsbij de generale directie.

De voorschreven bergplaatsen zullen bovendien dooi denzelven ambtenaar, tot den opslag van verac— cijnsd gedisteleerd, moeten worden toegelaten, alvorens tot dat einde te worden gebruikt.

Overtreding van een of ander, zal worden gestraft met eene boete van vier honderd guldens, en zal de administratie daarenboven regt hebben , om den overtreder het genot van doorloopend crediet, gedurende eeuen bepaalden tijd, die nimmer twee jaren zal mogen te boven gaan, te ontnemen, en hem te verpligten tot het dadelijk veraccijnsen van zijnen voorraad gedisteleerd.

5?. Dj bandelaar in liet groot, zal de bevoegdheid liebben, zijn, onder genot van doorloopend credit, ingeslagen binncnlandsch gedisteleerd , zoodanig