is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1823, 01-01-1823

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het patentregt in dit artikel vermeld , zal geheven worden van de voornoemde blaauwkuipen , persen , rollen, cilinders en looikuipen, zoo wei ■wanneer zij alleen voor de fabrijken waartoe zij behooren, werken, als wanneer zij voor anderen werken.

6. De koren-, gort- , grut- en pelmolenaars, bij no. x van de tabel nq. 3, belast xnet een patentregt van drie ten honderd, en de boekweiten-, grottenen boekweitenmeel- molenaars bij dezelfde tabel en § belast, met een patentregt van zes ten honderd, beide van de onzuivere huurwaarde dier molens, en daarbij behoorende gebouwen en persoonlijke woning, des dat het patent nimmer beneden de vijF guldens zal mogen dalen, zullen met en na de invoering der tegenwoordige wet, respectivelgk niet meer onderhevig wezen, dan aan een regt van twee en vier ten honderd als boven , zonder nogtans immer lager te mogen dalen dan een patent van drie guldens en

vijftig cents.

Het maximum van den aanslag der handmolens,

dat bij § 4 derzelfde derde tabel bepaald is op ƒ 12, zal, van nu voortaan, voor die molens, welke al nog bij de wet op het gemaal van den ai*« Augustus 1822 {staatsblad n°. 36), toegelaten zijn , niet hooger gaan dan acht guldens, en het minimum; dat ter plaatse als boven bepaald was op ƒ i.5o, -ogen afdalen tot een aanslag van een gulden.