Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Dit besluit treedt in werking op den tweeden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad, waarin het is geplaatst.

Onze Minister van Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden ^ón den Raad van State.

Soestdijk, den 22Sten Maart 1947.

WILHELMINA. De Min. van Sociale Zaken, W. Drees.

(Uitëeg. 29 April 1947.)

S. H 102

24 Maart 1947. BESLUIT, houdende wijziging en aanvulling van de wachtgeldregeling voor officieren behoorende tot de Koninklijke landmacht (Koninklijk Besluit van 17 Augustus 1935, Staatsblad No. 514).

Wij WILHELMINA, enz.;

Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken van 11 Juli 1946, Afd. A. I, Bur. 5, nr. 240;

Overwegende, dat het wenschelijk is Ons besluit van 17 Augustus 1935 (Staatsblad no. 514), houdende regeling van de toekenning van wachtgeld aan de officieren, behoorende tot de Koninklijke landmacht, te wijzigen en aan te vullen;

Den Raad van State gehoord (advies van 3 September 1946, no. 13);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken van 5 Maart 1946, Afd. A. I, Bur. 5, nr. 583 en van 11 Maart 1947, Nr. 1906, afdeeling Pensioenen en Wachtgelden;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen :

Eenig artikel.

Artikel 2 van de wachtgeldregeling voor officieren behoorende tot de Koninklijke landmacht (Koninklijk Besluit van 17 Augustus I935» Staatsblad no. 514) wordt gelezen als volgt:

1. Voor de toepassing van de verdere artikelen van dit besluit wordt onder diensttijd verstaan de werkelijke diensttijd in den zin van de Pensioenwet voor de landmacht (Staatsblad 1922, no. 66), volbracht op den datum van ingang van het ontslag, met dien verstande, dat:

a. wanneer de diensttijd tengevolge van ontslag is onderbroken geweest, de tijd vóór de onderbreking, behalve bij de toepassing van het tweede lid van artikel 3, slechts medetelt, indien de onderbreking minder dan een jaar heeft geduurd;

b. voor zoover de diensttijd omvat tijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van den duur van wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkeering ten laste van een der lichamen, bedoeld in de artikelen 3 en 4 der Pensioënwet 1922 (Staatsblad no. 240) en tijd, in het genot

van een zoodanig wachtgeld of uitkeering doorgebracht, deze tijden niet worden medegeteld.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b wordt voor den officier, die, nadat hij in het tijdvak 15 Mei 1940 tot en met 5 Mei 1945 is ontslagen en op wachtgeld gesteld, in actieven militairen dienst is teruggekeerd en na hernieuwd ontslag in het genot van wachtgeld wordt gesteld, van den diensttijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening van den duur van bovengenoemd wachtgeld, behalve voor de toepassing van het tweede lid van artikel 3, afgetrokken de diensttijd, die met eerstgenoemd wachtgeld is vergolden. Bedoelde termijn wordt naar beneden tot een volle maand afgerond.

3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing op den in actieven militairen dienst teruggekeerden officier, wiens wachtgeld geheel of ten deele door een afkoopsom is vervangen.

Onze Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken zijn ieder voor zooveel hem aangaat, belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Soestdijk, den 24sten Maart 1947.

WILHELMINA. De Min. van Oorlof, A. H. J. L. Fievez. De Minister van Binn. Zaken, Beel.

(IJit ge g. 15 April 1947.)

S. H 103

24 Maart 1947. BESLUIT, houdende wijziging en aanvulling van de wachtgeldregeling voor militairen der Koninklijke landmacht beneden den rang van officier (Koninklijk Besluit van 17 Augustus 1935, Staatsblad No. 515).

Wij WILHELMINA, enz.;

Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken van 11 Juli 1946, Afd. A. I, Bur. 5, nr. 240;

Overwegende, dat het wenschelijk is Ons besluit van 17 Augustus 1935 (Staatsblad no. 515), houdende regeling van de toekenning van wachtgeld aan de militairen der Koninklijke landmacht beneden den rang van officier te wijzigen en aan te vullen;

Den Raad van State gehoord (advies van 3 September 1946, no. 13);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Oorlog en van Binnenlandsche Zaken van 5 Maart 1946, Afd. A. I, Bur. 5, nr. 583 en van 11 Maart 1947, Nr. 1906, afdeeling Pensioenen en Wachtgelden;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen :

Eenig artikel.

Artikel 3 van de wachtgeldregeling voor militairen der Koninklijke landmacht beneden den rang van officier (Koninklijk Be-

Sluiten