Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rangindeeling van de ambtenaren van het corps Rijkspolitie en van de gemeentepolitie geregeld met inachtneming van de bepalingen van het Rangenbesluit Politiepersoneel.

Van de bezoldiging van de ambtenaren van politie.

HOOFDSTUK 1.

Algemeene bepalingen.

3. Met ingang van 1 Januari 1946 gelden met betrekking tot de bezoldiging de artikelen 4 tot en met 9.

4. 1. Voor zoover dit besluit niet anders bepaalt, zijn de bepalingen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1934, met uitzondering van de artikelen 1 tot en met 6, 8, lid 2, 15, 22 en 24 tot en met 34, van overeenkomstige toepassing.

2. Bij toepassing van de in het eerste lid bedoelde bepalingen worden in artikel 21, lid 1, onder b en c, inplaats van de woorden „Rijksbetrekking" en „Rijksschatkist" onderscheidenlijk gelezen de woorden „overheidsbetrekking" en „een overheidskas".

5. Bij gebruikmaking van een ambtswoning is de ambtenaar aan het publiekrechtelijk lichaam, waarbtj hij in dienst is, ee.i bedrag verschuldigd gelijk aan de belastbare huurwaarde, bepaald volgens de artikelen 10 en 11 der Wet op de Personeele Belasting.

6. De ongehuwde ambtenaar, die eenig kostwinner is van familieleden, tot wier onderhoud hij wettelijk verplicht is, wordt gelijkgesteld met den gehuwden ambtenaar.

7. De ambtenaar ontvangt voor het aanschaffen en voor het aanvullen van dienstkleeding en uitrusting een jaarlijksche toelage ter grootte van de volgende bedragen:

1. in de rangen van Adjudant tot en met Inspecteur-Generaal der Rijkspolitie en van Adjudant tot en met Hoofdambtenaar le klasse van gemeentepolitie f 252;

2. de overigen f 198.

8. 1. Indien een ambtenaar ingevolge de bepalingen van artikel 51 van het Politie-ambtenarenreglément of van artikel 19, tweede lid, van het Politiebesluit 1945, is of wordt verplaatst, worden de daaruit voortvloeiende kosten hem ten laste van het orgaan, waarbij hij wordt werkzaam gesteld, vergoed op den voet van de ten tijde van de feitelijke verplaatsing voor de burgerlijke Rijksambtenaren geldende regeling met betrekking tot de vergoeding van verplaatsingskosten.

2. De algemeen inspecteur der Rijkspolitie hetzij de burgemeester, kan voor den ambtenaar van het corps Rijkspolitie, respectievelijk voor den ambtenaar van gemeentepolitie bepalen, dat een verplaatsingsregeling, als bedoeld in het vorige lid, toepassing vindt in andere gevallen dan die, bedoeld in het vorige lid.

3. Indien een ambtenaar ingevolge de. tacheering gescheiden moet leven van zijn

gezin en ter zake geen vergoeding uit anderen hoofde ontvangt, kan hem een scheidingstoelage, volgens door Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandsche Zaken gegeven regelen, worden toegekend.

9. Boven de wedde heeft de ambtenaar aanspraak op de huwelijks- en kindertoelagen, zooals deze overeenkomstig de algemeen verbindende voorschriften aan burgerlijke Rijksambtenaren zijn of zullen worden toegekend.

HOOFDSTUK 2.

Van de tijdelijke regeling van de bezoldiging van de ambtenaren van politie.

10. Met ingang van 1 Januari 1946 gelden, onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken 1 en 3, met betrekking tot de bezoldiging de artikelen 11 tot en met 14.

11. De wedden van de ambtenaren van het corps Rijkspolitie worden met inachtneming van de volgende schaal vastgesteld.

„ ... Diensttijd

2 § Ambtenaar van —

o- g. politie met ^ "2,

£g- den graad of in V -•

3 den rang van ppi

Gld. Gld. Gld. Gld. Gld. Gld. Gld. Gld. Gld. Gld. Gld.

1 Adspirant:

niet gekazern. 1700

gekazerneerd . 925 1000

2 Wachtmeester . . 1700 1800 1900 2000 2100 2200 2300

3 Wachtmeester

ie klasse . . . 2300 2350 2400 2450 2500

4 Opperwachtm. . . 2600 2650 2700 2750 2800

5 Adjudant .... 2900 — 3000 — 3100 — 3200

6 Adsp.-officier . . 1900 2100

7 Officier 2« kl. . . 2600 — 2800 — 3000 — 3200

8 Officier ie kl. . . 3550 — 3850 — 4100 — 4400 — 4700 — Sooo

9 Dir. off. 3e kl. . . 5200 — 5400 — 5600 — 5800 — 6000

10 Dir off. 2e kl. . . 6250 — 6500 — 6800

11 Dir Off. ie kl. . . 7500 — 8100 — 8800

12 Inspecteur-

Generaal . . . 9200 — 10000

12. De wedden van de ambtenaren van de gemeentepolitie worden met inachtneming van de volgende schaal vastgesteld.

Sluiten