Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art V Artikel 14T viifde lid der Ziektewet W)rdt gelezen als volgt:

„5. De aanspraak op toekenning van ziekengeld of het kraamgeld, bedoeld in de artikelen 37, zevende, achtste en negende lid, 55, achtste, negende, tiende, elfde en twaalfde lid, en 84, derde lid, verjaart door verloop van negen tnaanden."

Art. VI. Artikel 71 der Invaliditeitswet wordt gewijzigd als volgt:

Vóór het artikel wordt het cijfer „1." geplaatst. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

„2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft een verzekerde geen recht op toekenning van invaliditeitsrente binnen twee en vijftig weken na de aanvang zijner invaliditeit, indien hij aanspraak heeft op ziekengeld krachtens de Ziektewet, of, zo hij op grond van het bepaalde in de artikelen 24 of 25 der Ziektewet of de artikelen 1 a of 16 van het Koninklijk besluit van 28 Januari 1931, Staatsblad n°. 24, niet ingevolge die wet verzekerd is, krachtens een voor hem geldende regeling gedurende twee en vijftig weken na de aanvang zijner ongeschiktheid tot werken aanspraak heeft op een uitkering bij ziekte. Voor de toepassing van het bepaalde in de vorige volzin wordt een verzekerde mede geacht aanspraak te hebben op ziekengeld of een uitkering bij ziekte, indien door zijn toedoen dat ziekengeld of die uitkering niet wordt toegekend.".

Art. VII. Aan het eerste lid van artikel 154 der Invaliditeitswet wordt een nieuwe volzin toegevoegd, luidende:

„Voldoet de verzekerde op de dag van indiening der aanvraag nog niet aan alle vereisten voor het recht op invaliditeitsrente, dan gaat de rente in op de eerste dag der kalendermaand, waarin de dag valt, waarop hij wel aan die voorwaarden voldoet.".

Art. VIII. In artikel 4, eerste lid, van het besiuit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Sociale Zaken en van Financiën van 25 September 1943 betreffende uitkering van kraamgeld in gevallen, waarin daarop krachtens de Ziektewet geen aanspraak bestaat (Staatsblad n°. S 807) wordt in plaats van „binnen een maand" gelezen: „binnen driehonderd dagen".

Overgangsbepaling.

Art. IX. De artikelen I en III van deze wet zijn mede van toepassing op de op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet lopende ziekengelduitkeringen.

Art. X. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na die harer afkondiging. Lasten en bevelen, enz.

Gegeven ten Paleize Het Loo, de iste Augustus 1947.

WILHELMINA. De Min. van Sociale Zaken, W. Drees.

(Uitgeg. 15 Aug. 1947.)

S. H 285

1 Augustus 1947- WET, tot instelling van een „Welvaartsfonds Suriname".

Bijl. Hand. II 46/47, 379;

Hand. II 46/47, bladz. 1877—1897;

Bijl. Hand. I 46/47, 379;

Hand. I 46/47, bladz. 924—935.

Wij WILHELMINA, enz. doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is ten behoeve van de ontwikkeling der economische welvaartsbronnen en de verbetering der sociale omstandigheden in Suriname over te gaan tot de instelling van een fonds;

Zoo is het, dat Wij, den Raad v. State, enz.

§ I. Algemeene bepaling.

Art. 1. Deze wet verstaat onder:

a. „Onze Minister": den Minister van Overzeesche Gebiedsdeelen;

b. „het Fonds": het „Welvaartsfonds Suriname", bedoeld in artikel 2;

c. „de Raad": den Raad van Advies, bedoeld in artikel 4, tweede lid.

§ 2. Instelling van een fonds.

2. Ten behoeve van de ontwikkeling der economische welvaartsbronnen en de verbetering der sociale omstandigheden in Suriname wordt een Fonds ingesteld, onder den naam „Welvaartsfonds Suriname".

3. 1. Ten bate van het Fonds komen:

i°. de aan het fonds door het Rijk te verstrekken bijdragen tot een totaal bedrag van f 40 millioen Ned. courant;

2°. de uit anderen hoofde ter beschikking van het Fonds te stellen gelden;

3°. terugbetalingen van uit het Fonds verleende voorschotten;

4°. andere inkomsten.

2. De onder i°. bedoelde gelden worden naar behoefte en overeenkomstig de goedgekeurde begrootingen van het Fonds door Onzen Minister van Financiën verstrekt. Gedurende 5 jaren, te beginnen met het jaar 1947, wordt jaarlijks een bedrag van

f 8,000,000 Ned. courant ten laste van de Rijksbegrooting gebracht.

3. Ten laste van het Fonds komen:

i°. personeels- en andere kosten;

2°. uitgaven voor uit te voeren werken;

3°. te verleenen voorschotten;

4°. te verleenen subsidies;

5°. andere uitgaven,

§ 3- Beheer van het Fonds.

4. 1. Het beheer van het Fonds geschiedt door den Gouverneur van Suriname, volgens door Onzen Minister en Onzen Minister van Financiën vast te stellen regelen en door Onzen Minister te geven aanwijzingen.

2. Bij de uitoefening van deze taak wordt de Gouverneur bijgestaan door een Raad van advies, bestaande uit vier leden.

3. De Gouverneur is voorzitter van den Raad.

4. Een secretaris staat den Raad en den Gouverneur bij in hun werkzaamheden.

5. De leden en de Secretaris worden door Onzen Minister benoemd, geschorst en ontslagen. Hij benoemt de leden uit een voordracht der Staten van Suriname van telkens twee personen.

Sluiten