Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemd in artikel 7, 2de lid, de invaliditeit tenminste 10 procent bedraagt.

7. 1. Het buitengewoon pensioen wordt voorlopig toegekend, indien verandering van het invaliditeitspercentage voor de toekomst aannemelijk wordt geacht, alsmede aan de pensioengerechtigde, bedoeld in artikel 8, 3de lid.

2. Het voorlopig buitengewoon pensioen wordt voor ten minfcte één en voor ten hoogste vijf jaren toegekend; het kan meer malen worden verleend.

3. Indien, nadat een voorlopig buitengewoon pensioen niet is vernieuwd, op grond dat de invaliditeit van de belanghebbende is gedaald beneden 10 procent, later blijkt, dat de invaliditeit wederom tot tenminste 10 procent is gestegen, wordt opnieuw voorlopig buitengewoon pensioen, of, indien verandering van invaliditeitspercentage voor de toekomst niet aannemelijk wordt geacht, blijvend buitengewoon pensioen toegekend. Het bepaalde omtrent de termijn van één jaar, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, is in dit geval niet toepasselijk.

§ 3. Van de pensioengrondslag.

8. 1. Ingeval krachtens deze wet aanspraak op buitengewoon pensioen ontstaat, wordt door de Buitengewone Pensioenraad de pensioengrondslag vastgesteld, naar welke het buitengewoon pensioen moet worden berekend.

2. Onder pensioengrondslag wordt verstaan het jaarbedrag, dat naar de redelijkheid nodig is om de deelnemer aan het verzet in staat te stellen te leven op de voet, waarop gelijksoortige valide personen, die in het jaar 1939 in overeenkomstige omstandigheden, als waarin toen ter tijd betrokkene, leefden, in de gemeente zijner inwoning of in gelijksoortige gemeenten gemiddeld leven ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande, dat bij de vaststelling van dit bedrag geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van bevordering, grotere vakbekwaamheid, uitbreiding van bedrijf of anderszins, en voorts met bepaling, dat voor de vaststelling van deze voet geen rekening wordt gehouden met het bedrag, waarmede lonen het maximum, dat daarvoor door het College van Rijksbemiddelaars is goedgekeurd, overschrijden. In plaats van het jaar 1939 kan het jaar worden gesteld voorafgaande aan dat jaar, waarin het inkomen van de betrokkene' tengevolge van zijn deelneming aan het verzet vermindering heeft ondergaan, of het jaar van het intreden van de invaliditeit, indien dit voor hem gunstiger zou zijn.

3. De pensioensgrondslag van de pensioengerechtigde, die vóór het intreden van zijn invaliditeit anders dan tengevolge van werkloosheid nog geen zelfstandige inkomsten genoot, wordt naar de omstandigheden, waarin belanghebbende thans verkeert, vastgesteld.

4. De pensioensgrondslag bedraagt in

geen geval meer dan vier duizend vijf honderd gulden en minder dan duizend vijf honderd gulden.

5. Omtrent de vaststelling van de pensioensgrondslag kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen worden gesteld.

§ 4. Van het pensioensbedrag.

9. 1. Het buitengewoon pensioen bedraagt zoveel procent van het bedrag van de pensioensgrondslag, als het voor de belanghebbende vastgestelde invaliditeitspercentage beloopt.

2. Invaliditeitspercentages boven 10 procent worden naar boven afgerond in veelvouden van tien procent.

3. Bij een percentage van minder dan 10 procent wordt invaliditeit geacht niet te bestaan.

10. Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met twintig procent van de pensioensgrondslag vermeerderd, wanneer tengevolge van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, in artikel 4 bedoeld:

a. een der ledematen (handen of voeten) is verloren gegaan, of voorgoed geheel onbruikbaar is geworden, dan wel een toestand is ontstaan, die met een zodanig verlies of een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen;

b. twee of meer ledematen dermate in beweeglijkheid of bruikbaarheid zijn verminderd, dat de toestand van de belanghebbende met die onder a beschreven is gelijk te stellen; •

c. het gezichtsvermogen door organische oorzaken zodanig is beperkt, dat het vermogen om zich zelfstandig te bewegen er ernstig door wordt getroffen;

d. een toestand is ontstaan, die op de duur een in verhouding tot de levensomstandigheden van de belanghebbende kostbare verpleging of behandeling vereist;

e. belangrijke misvorming van het gelaat is ontstaan, welke door hulpmiddelen niet voldoende te verbergen is, zodat de belanghebbende de omgang met zijn medemensen ernstig wordt bemoeilijkt; of

/. een blijvend buitengewoon pensioen is verleend uit hoofde van een invaliditeit van 80 of 90 procent.

11. Het buitengewoon pensioen wordt éénmaal met veertig procent van de pensioensgrondslag vermeerderd, wanneer tengevolge van de verwonding, verminking, ziekten of gebreken, in artikel 4 bedoeld:

a. twee of meer ledematen (handen of voeten) zijn verloren gegaan of voorgoed geheel onbruikbaar zijn geworden, dan wel een toestand is ontstaan, welke met een zodanig .verlies of een zodanige onbruikbaarheid is gelijk te stellen;

b. het gezichtsvermogen voorgoed geheel verloren gegaan of een toestand is ontstaan, welke met blindheid is gelijk te stellen;

c. onherstelbare krankzinnigheid is ontstaan, of een toestSnd welke daarmede is gelijk te stellen; of

d. een blijvend buitengewoon pensioen

Sluiten