Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld in de artikelen 50 van de Octrooi-

va^ T"J laatSb'ad No' 3I3)' 3. eerste lid, van de Merkenwet en 6bis, tweede lid, van het Unieverdrag tot bescherming van de Industriële Eigendom.

2. Op een octrooi of recht op een merk, op 3 September 1939 bestaande, kan vóór 1 J"h Ï949 geen der maatregelen bedoeld

toegepast! 5 ^ ^ Unieverdra8 w°rden

I-, HlJ' dle in het tijdvak tussen 3 September 1939 en 1 Januari 1947 „iet in

femlS0t ee," Van kraCht Zijnde OPenbaar gemaakte octrooiaanvrage of een bestaand

octrooi te goeder trouw in of voor zijn bedrijf een voortbrengsel heeft vervaardigd of een werkwijze heeft toegepast of aan zijn voornemen tot zodanige vervaardiging of toepassing een begin van uitvoering heeft gegeven blijft bevoegd tot de in artikel 30

S n Van, de Octrooiwet 1910 (Staatsblad N°. 3I3) genoemde handelingen ook nadat daarvoor alsnog octrooi is verleend of een vervallen octrooi is hersteld

wetend:,6' ïl0™±te, SOe.ds; tr°™, ->n

——^ uc uoor nem toegepaste

hSW.T -de oorsPronke'yke uitvinder heeft afgeleid, is verplicht aan de octrooihouder een vergoeding te betalen, waarvan het bedrag, bij gebreke van overeenstem-

Srede opJvordering van de meest

gerede party door de in artikel 54, eerste

' \V®n de Octrooiwet 1910 (Staatsblad No.

genoerndc rechter wordt bepaald. Hem

kan door de rechter het stellen van zeker-

opgedragen" ^ bePaaWe t6rmijn worden

recht nn het eLCrSte lid omschreven

recht gaat alleen met het bedrijf op anderen

r- Hij, die aantoont een uitvinding gedaan te hebben en daarvoor in het tijdvak

eeiw^t3 ?ptember *939 en 1 Januari ig46 een octrooiaanvrage heeft ingediend en te-

der*S„itantH°nt' Kda' de oorl°g de toepassing hfL J tmg blnnen dit t;jdvak heeft verhinderd, of zijn rechtverkrijgende, is ondanks octrooien, die met erkenning van een ingevolge artikel 1 verlengd recht van voorang zijn verleend, bevoegd deze uitvinding in of voor zijn bedrijf toe te passen.

*1 «et m het eerste lid omschreven recht g t alleen met het bedrijf op anderen over.

,HlJ' die meent een recht te hebben als omschreven in artikel s, eerste lid, of artikel 6, eerste lid, kan zich binnen de in

M hd\van de Octrooiwet 1910 (Staatsblad No. 3I3) genoemde termijn tot de Octrooiraad wenden met een verzoek tot verging van een desbetreffende verkla-

2. Ten aanzien van dit verzoek en deze

^'ariVI(nden de bePal>ngen betreffende

verzoekschriften en verklaringen, als be-

32 Xan de 0ctr°oiwet igIO

passmg 3I3)' overeenkomstige toe-

8. De invoer en het daarop gevolgde ge¬

rente g°ederen in het tijdvak tussen 3 September 1939 en 1 Juli Ig47, waardoor

inbreuk is gepleegd op het recht van de houder van een octrooi of van een merk ™d.e" me£. beschouwd als een aantasting van dit recht, indien die invoer of dat ge-

van de iT °' °nder verantw°ordelijkheid van de Regering ,s geschied voor oorlogsdoeleinden, voor de instandhouding van de

dan°weftnK Vf1- de °Penbare diensten dan we1 ter verlichting van door de oorlog ontstane noden. 8

9- De termijnen, genoemd in de artike-

dencvV tWeede Ild' en 53, negende lid, van de Octrooiwet 1910 (Staatsblad No. 313) en m de artikelen 9, derde lid, 10, eerete lid 12&S, eerste lid, en 13, eerste lid, van dé

S^otemh 6t' WClke in h6t tijdvak tussen 3

streken nï ^ 1 Juh 2948 z"n verllltf zullen verstrijken, worden tot laatstgenoemde datum verlengd.

Kt' j ïndlen ln een bijzonder geval naar het oordeel van de Voorzitter van de Octrooiraad tevens Directeur van het Bureau oor de Industriële Eigendom, het in acht nemen van de voorschriften betreffende de

hutlZ eigendom ten gevolge van de h WOnf omstandigheden, verband houdende met de tweede wereldoorlog, redelijkerwijze niet kon of kan worden verlangd is de Voorzitter bevoegd voor dit geval een' voorziening te treffen.

, *• , °nz? Minister van Economische Zaken kan de Voorzitter met betrekking tot de uitoefening van de in het voorgaande lid toegekende bevoegdheid aanwijzingen geven.

V In afwijking van het bepaalde bij artikel 4 vierde lid, van de Merkenwet ontvangt degene, te wiens name de inschrijving van een merk is gesteld of de overgang van een msrlf mcr#3-«7-/-»l<T£» n-4-:i—t _ _

^ . ai uiici zo van genoemde

wet is aangetekend, indien hij binnenvitf tien °f vijftien jaren na de dag, waarop dé inschrijving is geschied, doorhaling daarvan verzoekt, onderscheidenlijk fic, f 10 of f c:

ÏvoldVaan.het dat bij de inzendi«g

12. Voor zover deze wet betrekking heeft op onderwerpen, geregeld bij of krachtens de Octrooiwet 1910 (Staatsblad No 313) tS '"ede1 verbindend voor NederlandschIndie, Suriname en Curagao.

✓ o ' z' wet van 8 Augustus ig46 (.Staatsblad No. G 202) vervalt.

2. Eveneens vervallen alle door de Voorzitter van de Octrooiraad, tevens Directeur van het Bureau voor de Industriële Eigendom, krachtens de in het vorige lid genoeme wet gestelde termijnen of voorwaarden

baar rijn" ^ met deze wet verenig-

14. 1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na die harer afkondiging met dien verstande, dat zij in NederlandschIndie, Suriname en Curagao in werking treedt met ingang van de dag na die harer afkondiging onderscheidenlijk in het Staatsblad van Nederlandsch-Indië, het Gouvernementsblad van Suriname en het Publicatieblad van Curagao.

2. Zij kan worden aangehaald als Noodwet Industriële Eigendom 1947.

Sluiten