Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. De gemengde Commissie vergadert in pleno telkenmale als de noodzakelijkheid daartoe gevoeld wordt en tenminste eenmaal 's jaars, om beurten in Nederland en in Frankrijk. De samenkomsten worden voorgezeten door een elfde lid, en wel de Nederlandsche Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen wanneer de vergadering plaats vindt in Nederland, de Fransche Minister der Nationale Opvoeding wanneer zij plaats vindt in Frankrijk.

3. Indien vraagstukken van technischen aard in behandeling moeten worden genomen, die een gespecialiseerde kennis van zaken vereischen, kan de gemengde Commissie er toe overgaan subcommissies in te stellen, samengesteld uit leden gekozen uit of buiten haar midden, waarin ieder land door een gelijk aantal leden vertegenwoordigd wordt. De plaats van samenkomst en het voorzitterschap van deze subcommissies worden bepaald door dezelfde beginselen als onder 2 vastgesteld, met dien verstande dat het voorzitterschap daarvan kan berusten bij een persoon aan te wijzen door den Minister van het Land, waar de zitting plaats vindt.

Artikel 3

Na bekrachtiging van dit Verdrag zullen de daaruit voortvloeiende bepalingen, zooals deze door de Gemengde Commissie zijn vastgesteld, worden bekend gemaakt in een officieele akte, die als bijlage aan dit Verdrag zal worden toegevoegd. Deze bepalingen, alsmede alle veranderingen van en toevoegingen aan deze bepalingen komen op voorstel van de Gemengde Commissie tot stand na goedkeuring door de Regeeringen van beide landen.

Artikel 4.

Beide Verdragsluitende Partijen zullen een uitwisseling van hoogleeraren en leden van wetenschappelijke instellingen bevorderen. De Universiteiten of de wetenschappelijke instellingen zullen zelve de candidaten voordragen; deze voordrachten zullen voor advies aan de Gemengde Commissie worden voorgelegd.

Artikel 5.

Er kan worden overgegaan op overeenkomstige voorwaarden tot een uitwisseling van leerkrachten van het lager-, het middelbaar- of voorbereidend hoogér-, het kunst-, nijverheids-, technisch-, landbouwen tuinbouwonderwijs.

Artikel 6.

Ieder der Verdragsluitende Partijen is gerechtigd cultureele instellingen op te richten op het grondgebied der andere Partij, met dit voorbehoud, dat deze zich moeten onderwerpen aan de wettelijke bepalingen betreffende de oprichting van dergelijke instellingen in ieder der beide landen.

Sluiten