Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSBLAD

VAN HET

KONINKRIJK DER NEDERLANDEN.

(No. I 134) BE SLUIT van 7 April 1948, tot

vaststelling van een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in de artikelen 461, laatste lid, en 469a van het Burgerlijk Wetboek, zoals dit luidt ingevolge de Wet van 10 Juli 1947 (Staatsblad No. H 232).

Wij WI L H E L M IN A, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 Februari 1948, 6e Afdeling, No. 1898;

Gelet op de artikelen 461, laatste lid, en 469a van het Burgerlijk Wetboek, gelijk dit is gewijzigd bij de wet van 10 Juli 1947 (Staatsblad No. H 232), houdende herziening van de burgerlijke Kinderwetten;

De Raad van State gehoord (advies van 16 Maart 1948, No. 22);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 2 April 1948, 6e Afdeling, No. 1794;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In het rechtsgebied van iedere arrondissements-rechtbank is een voogdijraad gevestigd, met uitzondering van dat van de arrondissements-rechtbanken te 's-Gravenhage en Groningen, waarin twee voogdijraden gevestigd zijn.

De voogdijraden hebben hun zetels in de arrondissements-hoofdplaatsen en in de gemeenten Leiden en Winschoten.

Artikel 2

Met uitzondering van de voogdijraden te 's-Gravenhage, Leiden, Groningen en Winschoten strekt zich het ressort van een voogdijraad uit over het gehele arrondissement.

Sluiten