Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 3

1. Overtreding van voorschriften, vastgesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, gegrond op artikel 2 van deze wet, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden of — indien het na te noemen bedrag hoger is dan tienduizend gulden — ten hoogste tienmaal het bedrag van de ontdoken belasting. De goederen, ten aanzien waarvan het strafbare feit werd gepleegd, kunnen worden verbeurd verklaard.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien het feit valt onder een andere wettelijke bepaling nopens de invoerrechten en accijnzen, in voorkomende gevallen gewijzigd of aangevuld ingevolge artikel 2 van deze wet.

Artikel 4

1. De bij artikel 3, eerste lid, van deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toepassing van de artikelen 57 en 58 van het Wetboek van Strafrecht, in de plaats waarvan wordt toegepast, hetgeen bij artikel 62, eerste lid en tweede lid van dat wetboek voor overtredingen is bepaald.

2. De inzake van invoerrechten en accijnzen geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van geldboete zijn zowel voor het verhaal van een krachtens artikel 3 van deze wet opgelegde geldboete als van de geldswaarde der op grond van artikel 3, eerste lid, van deze wet verbeurd verklaarde goederen van kracht.

3. Indien de in deze wet strafbaar gestelde feiten worden begaan door een rechtspersoon, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen de leden van het bestuur. Geen straf wordt uitgesproken tegen een lid van het bestuur, van wie blijkt, dat het strafbare feit buiten zijn toedoen is gepleegd.

4. Wegens de feiten, strafbaar gesteld bij artikel 3, eerste lid, van deze wet kan de bekeurde door of vanwege Onze Minister van Financiën tot transactie worden toegelaten, onverminderd zijn recht om overeenkomstig artikel 74, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht de vervolging te voorkomen.

Artikel 5

Deze wet wordt geacht te zijn in werking getreden met ingang van 1 Januari 1948, met uitzondering van de artikelen 3 en 4, welke in werking treden op de dag, volgende op die van haar afkondiging in het Staatsblad.

Sluiten