Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. De navolgende vorderingen der Nederlandse Regering op de Amerikaanse Regering in verband met de kleine U.S. 7 (c) schepen behoren tot die, welke door deze overeenkomst geregeld zijn:

1. Diensten en goederen ten behoeve van de kleine U.S. 7 (c) schepen, zolang als zij afzonderlijk door de Nederlandse Regering voor de Amerikaanse Regering geëxploiteerd werden, gedurende de 7 (c)-periode.

2. Herbouw en heruitrusting van de kleine U.S. 7 (c) schepen. De door de Nederlandse Regering ingediende vordering en de daarvoor door de Amerikaanse Regering toegekende vergoeding zijn beperkt tot de herbouw- en heruitrustingskosten. gemaakt tengevolge van het gebruik dezer schepen door de Amerikaanse Regering gedurende de 7 (c)-periode, en zijn berekend op een pro rata basis volgens door de Nederlandse Regering verstrekte cijfers betreffende de algehele herbouw en heruitrustingskosten, ontstaan vanaf de datum, waarop deze schepen op grond van de desbetreffende chertepartijen, in 1942 werden geleverd. Bij deze vordering worden alle rechten voorbehouden met betrekking tot vorderingen wegens bijkomende herbouw- en heruitrustingskosten ingevolge de als grondslag dienende cherte-partijen.

3. De comptabiliteitsdiensten (bemiddelingsdiensten) ten behoeve van de kleine U.S. 7 (c) schepen, voorzover betreft het tijdvak, waarin zij afzonderlijk door de Nederlandse Regering voor de Amerikaanse Regering werden geëxploiteerd gedurende de 7 (c) periode.

C. De navolgende overige op schepen betrekking hebbende vorderingen der Nederlandse Regering op de Amerikaanse Regering behoren tot die, welke door deze overeenkomst geregeld zijn:

1. Een gedeelte der (niet door de Amerikaanse Marine) betaaldi kosten van bewapening van bepaalde Nederlandse schepen, welke ingevolge het 5 Juni-Memorandum gecharterd en aan de Amerikaanse Regering toegewezen werden.

2. De in dollars betaalbare 80 % van de huurverhoging voor schepen, welke ingevolge het 5 Juni-Memorandum gecharterd werdea (welke huurverhogig een shilling per ton laadvermogen per maand bedraagt vanaf 1 Juli 1944 tot de teruggave van het schip en (tengevolge van het afstand doen van verzekering van niet in huur zijnde schepen) sixpence per ton laadvermogen per maand van 1 Juli 1944 tot 31 December 1944). De door de Amerikaanse Regering toegekende vergoeding voor deze vordering wordt door de Nederlandse Regering aanvaard ter voldoening van haar vordering, ingevolge het 5 Juni-Memorandum, voor de in dollars betaalbare 80 % van genoemde huurverhoging.

3. Dollar-uitgaven voor vrije Nederlandse schepen in Amerikaanse havens tussen 21 Augustus 1941 en 30 September 1945, welke van dien aard zijn, dat zij ingevolge de bepalingen van de leen- en pachtwet, hiervoor in aanmerking komen.

Sluiten