is toegevoegd aan uw favorieten.

De berggids; tijdschrift gewijd aan alle takken van bergsport (skisport)-officieel orgaan van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1956, 1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wij in staat zijn ons zo „hard” te betonen als onze plannen vereisten?

Vertrek 8.30 uur. De wandeling naar de Rawilpass staat op drie uur. Met een half uur rust inbegrepen, kostte het ons 3 uur en 10 minuten. Geen slecht begin, zo ongetraind, en met bepakkingen van 27 kg. Het was aangrijpend, maar de rest van de tocht voor die dag zou veel minder inspanning kosten. Maar op de pas werden twee dingen al meteen duidelijk. Ten eerste lag de sneeuw niet hier en daar laag, maar overal. Dat zou het moeilijker maken een ge-

schikte kampeerplek te vinden. En ten tweede: waarom betrok de lucht zo, al tijdens onze lunchpauze? Enfin, er kon niet veel gebeuren, nu wij toch ongeveer dezelfde hoogte zouden houden.

Om half een braken wij op, vergezeld van de wensen van drie arbeiders aan een stuwdam in de buurt, die daar op hun zondagswandeling hun magnum fendent met ons deelden. Verder op het „Plan des Roses” kwamen wij nog twee dames tegen, en dat zouden de laatste personen zijn die wij voorlopig zouden spreken. Om kwart voor twee verlieten wij de pasweg, om drie uur zagen wij de toegangsweg naar

het meertje (2442 m). Overal sneeuw, rotsen, sneeuw, en slechts een enkel polletje gras. Een paar dropjes regen kwamen uit de ijle wolk die als het ware „hing” aan de Schneidehorn.

Wij verkenden het meertje. Veel meer dan een sneeuwkuil was het niet. Aan een kant was het water te zien. Maar tot kamperen lokte het niet erg. Honderd meter terug, op de zuid-helling van de Schneidehorn, was echter een soort etage, waar wij een grasveldje vonden, dat overal elders ook als ideaal gegolden had (en vaak doet men het minder!). Zo kropen wij om kwart voor vier in ons tentje om te rusten en thee te drinken.

Het kamljje, op ongeveer 2450 m hoogte Opn. Verri|n Stuarf

Om vier uur rafelde de wolk eerst wat af, en kwam toen plotseling naar beneden rollen. Hij loste steeds op en groeide toch steeds aan. En toen opeens, als ware het een moesson, barstte het onweer los. Ons kamp was met opzet niet geëxponeerd gekozen. Maar in de ketel tussen Rawilhorn en Schneidehorn weergalmden de donderslagen griezelig. Stortbuien. In de zachte grond om de tent was overigens in een paar minuten een goot gegraven; de pickels voldeden hierbij beter dan het kampschopje! Toen, hagel. Stenen van om en nabij de centimeter doorsnede. Maar het tentje hield het perfect

Om water voor ons diner te krijgen behoefden wij alleen de pannetjes even buiten te zetten. Het koken onder de luifel verliep prima, en na ons eerste warme maal op deze tocht konden wij niet anders zeggen dan dat tot dusverre alles superieur georganiseerd was. Warm, droog, eten, drinken, spanning, niets ontbrak.

Even plotseling als de onweersbui gekomen was hield hij om 7 uur op. De avond was koel, maar wij begrepen nu wel hoe het weer de eerstkomende dagen in elkaar zou zitten: al vroeg nevels, tegen een uur of drie, vier, onweer, en misschien een mooie nacht. Door de lage ligging van de sneeuw leek het beter het Plateau des Audannes eerst op een afstand te bekijken alvorens wij onze uitstekende kampplek hier zouden verlaten.

Zo besloten wij de volgende dag alleen de Rawilhorn te beklimmen, die een