is toegevoegd aan uw favorieten.

De berggids; tijdschrift gewijd aan alle takken van bergsport (skisport)-officieel orgaan van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1957, 1957

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dagen bij een neef en een nicht, die een klein landhuis tussen Ede en Lunteren bewoonden. Achter uit hun tuin keek ik op een typisch, golvend Veluwe-landschap; golvingen die voor mij bergen waren. Eén van die bergen, welke ik de Heiberg doopte, stak met zijn vijftig meter boven alle andere uit! Dat was de top, die mij dagelijks boeide en toen ik dan ook jarig werd en men mij vroeg wat ik graag zou willen hebben, koos ik zonder aarzelen een uitstapje naar de Heiberg. Mijn neef en nicht waren verbaasd over zulk een wens.

~Wat wil je daar doen?”was hun vraag.

„Naar boven klimmen en kijken”.

„Wat kijken!?”

„Kijken naar wat er achter de Heiberg ligt”.

Mijn neef en nicht vonden dat blijkbaar een heel wonderlijke verjaarsdagswens voor een jongen van vijf jaar, maar het resultaat was, dat wij tóch op mijn verjaardag met een picknick-uitrusting naar de Heiberg gingen. Van zijn top keek ik over de wijde Veluwe. Een vergezicht, dat ik nimmer zal vergeten.

Een paar jaar later toen wij in Katwijk logeerden, waren het de duinen, vooral de hoogste duinen, die mijn volle belangstelling hadden. Telkens weer opnieuw was het voor mij een blijde verrassing, als zich plotseling van een top het uitzicht opende over de altijd levende, altijd prachtige zee. De zee langs Nederland’s kust.

B. Prachtig weer in het hooggebergte.

In 1902 ging eindelijk mij grote wens in vervulling, doordat ik met een tweetal vrienden een reis ondernam naar Zwitserland. Een van hen, Therus Kolff, toonde wel hoogteneigingen en met hem beklom ik dan ook mijn eerste sneeuwberg, de Galenstock (3597 m). In het Furka-hotel hadden wij namelijk een berggids ontmoet, die ons tot deze onderneming had overgehaald.

Met dankbaarheid en vreugde denk ik terug aan die dag, welke voor mij een aaneenschakeling werd van sensaties. Van het ogenblik af, dat wij in de zeer vroege morgen het hotel verlieten, verkeerde ik m een stemming vol spannende verwach-

ting! Een opwekkende, frisse wind woei ons tegemoet. In de grijze ochtendschemering maakten de ons omringende bergen zich meer en meer los uit het perspectiefloze nachtelijk silhouet. Maar de grote verrassing kwam, toen kort na ons vertrek zich plotseling het uitzicht opende op de blanke, met kloven doorkerfde Rhónegletsjer waarachter de reuzen oprezen van het Berner Oberland met hun spitse toppen en scherpe kammen, met hun uitgestrekte sneeuw- en ijsvelden. Het was een panorama van bijna onwezenlijke schoonheid en geweldiger dan dat ik het mij in mijn stoutste dromen had voorgesteld. Het blauw van de hemel was al doorgloord met de goudglans van de opkomende zon, maar het duurde nog enige ogenblikken voor haar lichtbundels ook de hoogste toppen hadden bereikt, die de een na de ander opvlamden in rosse gloed, tot het hele Berner hooggebergte ten slotte baadde in een orgie van licht.

Tussen de talrijke kloven van de Rhónegletsjer slingerde zich onze weg omhoog naar de Galengrat, een verbrokkelde rotskam waarover wij aan de voet konden komen van een inderdaad zeer steile firnhelling. Daar langs zouden wij de top moeten bereiken.

Dit laatste gedeelte van de bestijging viel niet mee; de lucht werd ijler; ik hijgde zwaar; de vermoeienissen deden zich gelden en ik voelde mij vrij wankel in deze steile wand van mulle sneeuw. Mijn schoeisel was nu eenmaal niet op zo’n tocht berekend, zodat ik een paar maal uitgleed en het strak gespannen touw om mijn borst voelde knellen. Maar de afmatting en onzekerheid werden verlicht door die ene, alles overheersende indruk, dat ik bij iedere stap boven de aarde uit scheen te stijgen en de top nader kwam; dat bij iedere stap de diepte naast mij groter en het uitzicht ruimer werd, want telkens doken andere wit bestoven toppen te voorschijn van achter de vóór hen gelegen bergketens.

De helling nam af en eerder dan ik ge dacht had, stond ik op het hoogste punt van de Galenstock. Verbijsterd staarde ik om mij heen. Dit was de apotheose van