is toegevoegd aan uw favorieten.

De berggids; tijdschrift gewijd aan alle takken van bergsport (skisport)-officieel orgaan van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1959, 1959

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kenmerkend is. De grond en de bomen zijn er behangen met een decimeter dikke laag vochtig mos en er heerst een kille vochtigheid: een deprimerende omgeving! Op de meest onverwachte ogenblikken zak je door de moslaag heen in een netwerk van wortels en stammen. De extreem dichte begroeiing deed ons slechts stapvoets vorderen zodat we weldra onze rantsoenen drastisch moesten verlagen. Voor de watervoorziening speculeerden we op de regen, want alleen op 1900 m kruisten we een kleine beek. Wanneer de blikken, waarin we ’s nachts via het tentzeil regenwater opvingen, ’s morgens leeg bleken, waren we genoodzaakt water uit het mos te knijpen. We aten dan „riz a la forêt”, die bruin en voedzaam-humeus was. Dit leidde tot vrolijkheid bij de dragers en op den duur bij mij persoonlijk, tot visioenen van gebraden kip.

De Oosttop (3650 m) van de Antares, gezien vanaf de West graat.

De berg leverde geen bijzondere problemen op, totdat we op 2870 m hoogte voor een steil granietwandje kwamen te staan dat door een dikke moslaag overdekt was en daardoor geen houvast bood. Ook een boomladder bood geen uitkomst. Met touw ging het beter, maar toch besloten we een andere route te zoeken omdat het voor de dragers te bezwaarlijk werd. We kapten dus een pad langs de noordvoet van het steile wandje, waarbij we geleidelijk het koude water dat uit het mos in onze kleren was gestroomd, weer kwijtraakten. De volgende dag bereikten we de alpinestruikvegetatie, die erg weelderig bleek en die als een dichte, manshoge haag de hellingen bedekte. Tenslotte echter stootten we op een open grasvlakte vanwaar een steil met gras begroeid ravijn naar boven voerde. Zo stonden we op 4 juli om kwart voor twaalf met zijn drieën op de meest westelijke top van de Anataresketen. De hoogtemeters wezen 3380 meter aan.

Vlak ten oosten van de top maakten we een laatste bivak in een kleine inzinking van de helling op 3300 m. Bij gebrek aan hout spanden we het tentzeil over onze bergtouwen. De dragers, voor wie dit geëxponeerd liggende bivak te koud was, waren terug gegaan naar ons vorig bivak en zouden ons over 2 dagen komen halen.

De volgende morgen ging het verder oostwaarts over de soms smalle graat, welke aanvankelijk nog lichtbegroeid was doch die later slechts uit kale rots bestond. Een paar steile ravijnen die de graat doorsneden, leverden tot slot nog wat aardig geklauter in de rots voordat Escher en ik om 2 uur ’s middags de oostelijke hoofdtop van de Antares bereikten op 3650 m boven zee. Mist en regen verdreven ons snel en in hoog tempo werd de terugtocht aanvaard naar het 3300 m bivak waar weer een koude nacht werd

De route naar de Julianatop vanuit het basiskamp in de Sihilvallei