is toegevoegd aan uw favorieten.

De berggids; tijdschrift gewijd aan alle takken van bergsport (skisport)-officieel orgaan van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1960, 1960

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk doorgaan naar de bewoonde wereld om hulp te halen. Een vloek van Oom Adri dat hij zijn morfinespuit niet bij zich heeft. Wij rennen door. Weer een kreet, weer een. De figuur op de rotspiek blijft stofstijf staan, maar de man in de wand rolt nu plotseling lager, op een ander terrasje.

De hoge grijze lucht is boven ons. Het licht is grauw, en het is moeilijk op die afstand alles precies te zien. Weer horen wij een kreet, en weer rolt de man naar beneden. Als een lugubere echo volgt dan een droge roffel van vallende stenen. Nu is het weer stil. Waar is het ook weer? Op de brede band, of op die smallere? O, ja, daar zie ik hem, ik zie .... Van verbazing blijven wij staan. Het lijkt wel tovenarij, want de verongelukte man rolt nu om-

hoog, opzij en splitst in drieën. En dan is de spanning opeens weg, want het is geen man, het zijn drie schapen. Maar in die kleine, eenzame gletsjerketel lijkt hun geblaat nog griezelig veel op de angstkreten van een mens. En die man daarboven dan, zul je vragen? Ach, als je hier zelf eens komt, zul je hem ook nog wel zien staan. Als een symbool van rampspoed wijst het rotsblok dat daar uit de wand steekt ten hemel.

Wij keerden om en daalden verder. Het Langental ligt vol met grote stenen. Heel laat kwamen wij thuis, vlak voor het donker werd. Nu was de lucht niet grijs meer, maar bijna zwart. Die dag is voorbij, maar ik zal hem niet vergeten ....

A. A. Verfijn Stuart

De Dom

In augustus 1957 zagen wij de Dom (4554 m) voor het eerst van dichtbij, namelijk van de top van de Nadelhorn (4328 m) af. We keken toen naar die berg met zeker respect, wetend dat de besneeuwde top de hoogste is die geheel in Zwitserland ligt. Na de Mont Blanc en de Monte Rosa komt de Mischabelgruppe met de Dom als hoogste in de Alpen.

In augustus 1959 zagen wij van dichtbij het kruis dat op de Dom geplant is. Het was niet imposant, want wij keken er op neer. Enkele meters van het kruis af eindigde onze beklimming over een lange sneeuw- en ijshelling op een dikke laag opgewaaide firnsneeuw, zo dik dat het hoogste punt van het kruis lager lag dan onze standplaats. En tussen ons en het ijzer had zich een corniche gevormd, die het naderbij komen verhinderde.

Met ons drieën stonden wij op de top: een student uit Randa, mijn 16-jarige dochter en ik. In een cordée van drie waren wij, ondanks minder gunstig weer met nevel en lichte sneeuwval, om drie uur uit de Domihütte vertrokken. Tot 3800 m waren wij in de wolken geweest. Boven stonden wij in stralend weer, neerkijkend op een wolkenzee, waarboven alleen de vierduizenders

opstaken. Deze omstandigheid gaf ons het gevoel in een buitenaards landschap te zijn, grotesk, volkomen buiten alle gewoel en bewegen, in een statische wereld, zonder enige verbinding met de mensheid.

Het korte verblijf op de top was een genieting, die in het geheugen blijft, zoals wij ons elke beklimming van betekenis nauwkeurig blijven herinneren, met talrijke details van bestijging en uitzien. Een beschrijving zullen wij hiervan niet geven. Het gaat immers niet om een weinig bekende top of een ongewone route. De beklimming van de Dom vergt geen bijzondere inspanningen, tenzij men een tocht van voluit een klokje rond als zodanig wil aanduiden. Wij schrijven slechts om bijzaken te vermelden, die ook wel eens de aandacht mogen hebben. Ons interesseerde de vraag, hoe de Dom aan zijn naam was gekomen, temeer omdat de vorm noch van Saas-Fee af gezien, noch vanuit het dal van Zermatt aan een dom deed denken.

Onze vriend uit Randa wist een verklaring. Na onze thuiskomst stuurde hij ons een artikel toe dat hij in ’SB had gepubliceerd. Het was geschreven ter gelegenheid van het feit dat 100 jaar tevoren september 1858 de Dom voor