is toegevoegd aan uw favorieten.

Jaarboek van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1911, 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd ’t weer slechter, dan konden wij altijd nog terugkeeren. Na ontbeten te hebben, betaalde ik mijn rekening, nam afscheid van de oude Wirtin en ging toen op weg; ’t was nog vijf minuten voor één. —• De gidsen hadden de beide lantaarns aangestoken, die ons nu in het nachtelijk duister goede diensten bewezen. Weldra kwamen wij aan de beek, volgden een tijdlang haar loop en staken haar later over. Veel afwisseling bood ’t pad niet, slechts natte, glibberige rotsblokken en zoo nu en dan enkele, door lawine of de bijl des houthakkers gespaarde lariksen, die, even verlicht door ’t flauwe schijnsel onzer lantaarns, uit de duisternis opdoken, om, zoodra wij ze gepasseerd waren, weder in ’t ondoordringbare donker te verdwijnen. In het begin stegen wij langzaam, na een uur ging ’t steiler. Onze richting was naar ’t punt, waar de inzinking van den Taschhornkam ’t diepst was (3662 M. op de Siegfriedskaart) en deze zich daarna verheft tot den Strahlbett (3755 M.).

Na eenigen tijd bereikten wij ’t uiteinde van den Weingartengletscher, die hier vrijwel zonder spleten is, staken dien over en kwamen aan den voet van de Taschhorn-graat.

Wij waren nu in de rotsen gekomen. Niettegenstaande de duisternis kon ik toch nog twee couloirs onderscheiden, hetgeen overeenstemt met de beschrijvingen van Mummery en Pfann. Wij kozen, evenals de eerste bestijgers, de heer en mevr. Mummery en later het gidslooze gezelschap van den heer Pfann, het meest naar rechts gelegene couloir.

Steil klauterden wij naar boven, dikwijls op den tast. Dit duurde zoo eenigen tijd, hoe lang weet ik niet juist, tot tvij op een klein hellend vlak aankwamen, ongeveer 2 M*. groot. De rotsen werden nu zoo steil en hadden zoo weinig rissen of spleten, dat de gidsen en ik, na eenige vergeefsche pogingen om hooger te komen, besloten te wachten tot ’t dag w'erd. De rugzakken werden afgelegd en bij wijze van tijdpasseering of misschien uit voorzorg, want honger hadden wij niet, werd een stukje brood voor den dag gehaald als inleiding voor ons tweede ontbijt. Na een half uurtje begon ’t iets lichter te worden en kon ik onze plek eens nader verkennen; onder ’t klauteren had ik daartoe weinig gelegenheid gehad.