is toegevoegd aan uw favorieten.

Jaarboek van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1911, 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

’n eingefall’n”, vertelde hij; maar ook dat was alweer best afgeloopen: de heer was onbeschadigd weer aan de lucht gebracht.

Zoo, geleidelijk, zonder groote inspanning klimmend over sneeuw, die, in het begin uitstekend, allengs weeker begon te worden, kwamen wij eindelijk aan het Feejoch (3812 Meter), waar zich naar het Zuiden een prachtig uitzicht opende. Imposant was vóór alles de kolossale Rimpfischhorn, dien wij recht tegenover ons hadden, als geïsoleerd staande tusschen ons standpunt en de Monte-Rosa-groep; hij was in zijn geheel van den vlakken gletscher tot den top toe zichtbaar, als uit één stuk opgebouwd en zoo dichtbij, dat wij door geroep en gejodel een karavaan, die hem beklom, op ons konden opmerkzaam maken en er een groet mede wisselen. Maar landen tijd besteedden wij niet aan het rondkijken. Het werk was nog niet gedaan en eerst na gedaan werk, na volbrachte beklimming is het prettig te rusten; en dan wisten wij, dat wij hetzelfde uitzicht, nog grootscher, van den top zouden genieten. Nu ging het dus om de verovering van de laatste 200 Meter, die vrij steil waren. Die laatste loodjes waren ook hier het zwaarst. Want of het nu kwam door de inspanning, dan wel door de luchtverdunning, maar iedere 10 Meter of zoo, voelde ik behoefte, even stil te staan en op adem te komen; na een oogenblikje rust was ik weer een eindje in goeden staat. Mijn vrouw had hiervan geen last en zonderling genoeg heb ik later op veel hooger bergen, zooals Finsteraarhorn, Matterhorn, Monte Rosa, nooit weer iets van dit verschijnsel bespeurd. Ten langen leste kwamen wij dan op den top, gevormd door eenige, in schuine richting uit de sneeuw uitstekende rotsplaten, waartegenaan wij gingen zitten. En nu werden allereerst de rugzakken eens uitgepakt en de inhoud aan een grondige inspectie onderworpen. Wij hadden allen flink honger on met smaak werd een groot gedeelte van den voorraad verdelgd. Eerst toen de ergste honger gestild was, wijdden wij onze meer geconcentreerde aandacht aan het uitzicht, dat door den eersten bestijger E. L. Ames (28 Augustus 1856) als een der schoonste in de Alpen wordt geroemd. Tot mijn schande moetik bekennen, dat, niettegenstaande het weer prach-