is toegevoegd aan uw favorieten.

Jaarboek van de Nederlandsche Alpen-Vereeniging, 1911, 1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wij stonden weer beneden. N u kwamen de anderen aan de beurt: een dame en twee heeren. Op eenige rotsen verder op, zetten wij ons even neer om hen dezelfde moeilijkheden te zien overwinnen, die wij juist achter den rug hadden. De twee jonge gidsen, die hen vergezelden, waren neven van Pralong en vroolijk gelach en gejuich klonk over en weer van de eene rotsvesting naar de andere.

„Nous sommes des guides d'Evoléne!” zongen de krachtige stemmen, die de bergwanden weerkaatsten en toen de echo’s het: „Salut, glaciers sublimes!” opvingen, bromde zelfs Furrer vergenoegd mee.

Wij hadden goed lachen en zingen op onze belvédère; de Engelschman echter, die, met zijn beenen aan den verkeerden kant bengelende en ten slotte te paard zittende op de puntige „arréte”, omhoog worstelde, keek op dat oogenblik niet zoo vroolijk. Maar eenmaal boven gekomen, juichte hij ook mee; want ligt hierin niet juist de wonderlijke toovermacht van de bergen, dat zdj ons in de glorie van de toppen alle moeilijkheden en onaangenaamheden, onderweg doorstaan, doen vergeten ?

~Allons, en avant!’’ riep Pralong, want de eigenlijke top lag nog vóór ons. Hier wachtte ons een minder aangename verrassing : de Gesluierde Dame en haar ongelukkige gids waren nogmaals gestrand en hoe z*ij weer het dal bereikt zouden hebben, zonder de reddende hand van Pralong, weet ik niet. Hij bond zich los en terwijl wij' met Furrer bij het houten kruis gingen zitten, om den inhoud van den rugzak op te nemen, daalde hij goedhartig met hen een eind naar beneden. Nog een tijdje hoorden wij af en toe angstige gilletjes, het krassen van de spijkerlaarzen en Pralong’s bemoedigende stem hier had zijn opgeruimdheid inderdaad bergen van zwaarmoedigheid te overwinnen! toen werd alles stil. Het uitzicht beperkte zich tot een zonnig stukje tusschen Haudères en Evolena, waar de weg als een witte band tusschen het heldergroene gras zichtbaar was; maar wij, boven op onze rotspunt, begonnen het koud te krijgen en het wachten viel ons lang. Waar Pralong dan toch bleef? Eindelijk, na een drie kwartier geduld te hebben gehad, verscheen hij, rood van inspanning en