is toegevoegd aan uw favorieten.

De bergvriend; alpinistisch tijdschrift-tweemaandelijks orgaan Sektion Holland van de "Oesterreichischer Alpenverein", jrg 1, 1952, no 4, 1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ket volle, overvolle kart van bergen-eerMelingen

Kwart over vier. Er beweegt iets in ’t Matratzenlager. Behoedzaam worden er dekens opzij gelegd en kruipen een paar donkere schimmen naar sok en schoen. Toch zit er vaart in, want een ogenblik later is het gekraak en het geschuifel al voorbij. Naar buiten!

Ze weten de machtige toppen in het rond, maar niets is er te zien. Nevelslierten dekken alles af. Twee donkere silhouetten staan roerloos naast elkaar. Ogen speuren. Zal de sluier worden opgenomen ?

En het wonder geschiedt. Daar !

Een spitse, groen-lichtende top, sneeuw en ijs door maanlicht beschenen, stijgt wonderklaar uit de nevels omhoog. Ijlblauw is de hemel in ’t rond. De dag verbleekt de sterrenglans. De zon jaagt de nevels en in de stilte torent die eerste top, opstijgend uit het zachte dons, blank en licht als in belofte naar boven wijzend. Machtig ontroerend

Stil staan ze daar en heel hun hart drinkt de schoonheid van de bergen. Tirol, Braunschweiger Hütte, Aug. ’52,

In het gezellige dagverblijf van het Gepatschhaus is het ontbijt genuttigd. Tee und Butterbrot. De rugzak wordt handig opgezwaaid. Daar gaan ze. De nevels slierten nog door het dal en hangen als plukjes watten tegen de beboste hellingen. De zon straalt en de bergwereld lokt. Stevig staan ze op hun spijkers en met trots voelen ze hoe heerlijk die schoenen zitten. Ze worden opgenomen door de bergwand en met zeker geworden pas gaat het in rustig tempo naar het verre doel. ’t Bos is prachtig. De geweldige stammen van de naaldbomen rijzen slank omhoog. Hun wortels houden zich met kronkelende grijpvingers vast in de rots.

Beneden dondert de bergstroom grijzig-grauw door spleten en kloven. Tomeloos is het water. Neerrazend scheurt en schuurt het zich een weg, spattend en spuitend met wilde, woeste, ongebreidelde kracht.

Hier op de helling klateren kleine beekjes; kristalhelder stromen de straaltjes: druppels springen van steen op steen. Het wilde lawaai van beneden is hier verstild tot lieflijk ruisen. Slingers van groen hangen neer en bloempjes in velerlei kleur maken die watervalletjes tot een juweel van stralende vriendelijkheid

Hoger klimmen ze. De bomen worden schaars en verdwijnen. Ze gaan nu over de zachte tapijten van bergweitjes met groen en veel bloemen. Dan bereiken ze de rotsen. Steen na steen wordt veroverd. Trittsicherzijn krijgt hier extra bekoring. Je weg zoeken door ongelooflijk grote steenmassa’s is een vreugde op zich zelf. Een stukje sneeuw. Het Joch komt nader. De wind gaat fluiten. En tussen al die stenen telkens nog een bloempje, wit, geel of paars: alleen, verloren in de ruimte. Ze staan stil en kijken naar dat dappere leventje, zo heel alleen. Maar plotseling dartelt een vlindertje aan en even wordt het bloempje gekust. Niet alleen dus, jij kleintje. Jij wist: Wie vertrouwt, heeft vrienden altijd en overal.

Dan is daar het Joch, dat een blik gaat gunnen naar de andere kant . . . Gletschers, links en rechts, hoger en lager; scherpe kammen, trotse toppen. Groots, verheven!

Wereld van sneeuw en ijs, van rots en kloof en spleet, ge hebt ons overweldigd, onze stoutste verwachtingen overtroffen Tirol, Ölgrubenjoch, Aug. ’52. A. GROEN