is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap = Die Niederländisch-Deutsche Kulturgemeinschaft; orgaan der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap, jrg 1, 1941, no 1, 1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van der Vliet, aan wie de sigarenmakerij op de Voldersgracht behoorde, van wie het heette, dat zij de rijkste vrouw in Dellt was en van wie ook iedereen wist, dat zij veel aan weldadigheid deed. En eenige w'eken later, toen Ma al weer lang op haar gewone plaats voor het raam in de voorkamer zat en het nieuwe kind in zijn wiegje in een hoek van de kamer stond, werd Wouter wederom voor het lorum geroepen, ditmaal bij Pa en Ma samen. Hem werd toen medegedeeld, dat de Weduwe van der Vliet aan Bertus Drop een paar beugels had geschonken, zoodat hij nu kon loopen en ook naar school zou kunnen gaan. Weliswaar maar voor een jaar, want hij was al ell en zijn vader kon zijn hulp niet missen, maar hij zou nu toch lezen en schrijven leeren en dankte dit alles aan het toeval, dat hij Wouter had ontmoet.

Wouter voelde een ietwat onzekeren, maar toch zeer groeten trots over de rol die hij in dit groote gebeuren had vervuld, maar Ma wist daar meteen een domper op te zetten. Toen Pa had uitgesproken zeide zij zeer bedroeld te zijn over het leit, dat hij misbruik had gemaakt van haar alwezigheid om iets te doen, dat hem voor zijn eigen bestwil verboden was. In een slop had een jon-

gen van „onzen stand" niets te zoeken. En zij voegde daar nog een belangrijke les bij: „Bertus Drop heeft die beugels gekregen omdat zijn vader een braaf en ijverig werkman is, die van den ochtend tot den avond zwoegt voor zijn groote gezin. Had Bertus' vader tot de socialen, de rooien gehoord zooals die oom, van w<ien hij zulke schandelijke dingen vertelde, dan zou de Weduwe van der Vliet nooit of te nimmer de beugels hebben gegeven. Want de socialen — onthoud dat goed Wouter — zijn de kanker van onze maatschappij, zij zijn de ondergravers van recht en orde. Je bent nog te jong om dat nauwkeurig te begrijpen, maar het is goed dat je het nu al in je geheugen prent."

En zoo wist Wouter Quist van zijn negende jaar al, dat de socialen de kanker van de maatschappij en de ondergravers van recht en orde waren. Olschoon hij hoopte, dat hij Bertus Drop met zijn beugels zou zien, gebeurde dat niet, want de sigarenmakerslamilie verhuisde weldra naar een andere steeg, die naar zij meende gezonder was dan de Grutberg. Het lag echter in de schoot der toekomst verborgen, dat hij en Bertus Drop elkander in hun later leven opnieuw zouden ontmoeten.

KUNSTWERK EN VOLK

OVER HET HOOREN EN ZIEN VAN KUNSTWERKEN DOOR JAAP KOOL

Een van de groote en mooie taken dezer tijd is het kunstwerk tot het volk te brengen, het volk te laten deelnemen aan het beleven van kunstwerken, aan de mogelijkheid een blik te werpen in de goddelijke geesteswereld, die wij slechts door het kunstwerk kunnen beleven.

Is het nu voldoende het volk veel mooie muziek te laten hooren en schilderijen te laten zien? De praktijk heeft bewezen, dat dit alleen niet doelmatig en niet genoeg is. Waaraan kan dit liggen ? Het zij mij vergund eenige opmerkingen over 't hooren en zien te maken.

Het is een merkwaardig feit, waarvan wij ons niet altijd bewust worden, dat het oog maar een betrekkelijk klein plekje werkelijk ziet, d.w.z. scherp ziet. Een groot physicus heeft eens gezegd: „Als de lens van een fototoestel zoo slecht zou zijn als de lens van het menschelijk oog, zouden wij niet kunnen fotografeeren." Inderdaad geeft de lens van een fototoestel op een vlakte van

b.v. 9X6 c.M. overal een duidelijk en scherp beeld. Als ons oog stil staat, dus op een plekje staart, wat het weliswaar meestal niet doet, zoo krijgen wij een scherp beeld te zien van ten hoogste ± 1 tot 2 milimeter. Gelukkig beweegt ons oog en wel tamelijk snel. Ook is het meestal in beweging zoodat wij het niet zoo duidelijk merken, dat het maar een betrekkelijk klein plekje is, dat wij in werkelijkheid scherp zien. Maar toch is het belangrijk dit feit duidelijk voor oogen te houden. Het oog geeft dus aan onzen gezichtszin een beeld, dat uit vele kleine indrukjes tesamen gesteld is. Door middel van ons visueele geheugen is het ons mogelijk op deze manier een werkelijken indruk, b.v. van een schilderij, te ontvangen. Al deze kleine visueele puntjes worden door het visueele geheugen tot een geheel samengevoegd. Als een oog een schilderij bekijkt, dan volgt het, meest onbewust voor den toeschouwer, zekere lijnen, een zekeren weg, en wel een weg, die de

schilder zelf, misschien ook onbewust in zijn schilderij heelt voorgeschreven. Het is een bijzondere studie van zeer loonenden aard om b.v. eens bij de Nachtwacht van Rembrandt dezen weg, dien het oog neemt, na te gaan. In dit verband voert het te ver hierop verder in te gaan. Maar een nauwkeurig onderzoek zou hier bevestigen, dat deze weg, d.i. de zoogenaamde opbouw van het schilderij, een geheel andere is bij de Germaansche als bij de Romaansche volkeren. Dat wil dus zeggen, dat deze bouw, deze samenvatting van de visueele indrukken een diep in ons wezen en in ons ras verankerde karakteristieke eigenschap is.

Als wij nu de werkwijze van ons oor nagaan, dan vinden wij hier in principe hetzellde. Ook het oor heelt enkel de mogelijkheid een trilling der lucht op te vangen en op wonderbaarlijke door de grootste doktoren nog niet verklaarde wijze tot het bewustzijn te brengen. Maar toch bestaat er hier een groot verschil met het oog. Het oor is in staat samenklanken, zoogenaamde accoorden, als een eenheid op te nemen, d.w.z. te hooren. Het oor kan niet tegelijk naar muziek en naar een gesprek luisteren. Als iemand praat, terwijl de radio speelt, kunnen wij ol allebei niet hooren, ol het gehoor moet zoo te zeggen springen, dan eens een woordje en dan eens een paar toonen opvangen. Uit praten en muziek kan het oor zonder meer niet een samenklank vormen. Maar dit kan het wel, als een kunstenaar uit woord en muziek een geheel vormt, b.v. in de opera, in het lied en in het melodrama. Het gehoor kan ook een trompet en een viool, ja zells alle mogelijke instrumenten en toonen samenvatten, maar

en dat is interessant en zeer belangrijk voor het hooren van contrapunten kan niet twee motieven, twee melodieën, twee muzikaal zelfstandige vormen gelijktijdig waarnemen, hetzij dat ook zij door een genie tot een eenheid gevormd werden. Wij willen dit verduidelijken door een blik in de muziekliteratuur. —■ Meesterlijk heeft J. S. Bach met de bovengenoemde physiologische en phsychologische gegevens van het gehoor rekening gehouden. Hooren wij een fuga uit het „wohltemperierte Klavier", dan vinden wij telkens weer, dat Bach het gehoor leidt, met 'n thema begint, om 't in een karakteristieken vorm tot een lange noot, d.w.z. tot een zekere rust, op te voeren. Het is alsof hij tegen het gehoor zegt: „Nu heb ik je langs de lijn van mijn melodie tot een zekere rust gebracht. Houdt deze lange toon nu goed in je geheugen en hoor nu eens wat ik met die andere, zoogenaamde tweede stem, ga doen." Zoo springt het gehoor