is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap = Die Niederländisch-Deutsche Kulturgemeinschaft; orgaan der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap, jrg 2, 1942, no 4, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een vraag, die niet het minst den president der Ver. Staten moest verontrusten. En het scheen, alsof de 18 Juli van het jaar 1936 een voorloopig antwoord had gegeven, en dit antwoord kon voor dezen staatsman niet bemoedigend luiden. Want op dien dag brak de burgeroorlog in Spanje uit. Dit feit, wij beginnen thans, bij den terugblik op de ontwikkeling in die twintig fatale jaren tusschen de twee oorlogen, eerst goed te begrijpen, beteekent een keerpunt in de wereldgeschiedenis. Toen toch koos ieder mensch intuïtief partij. Niemand, althans in de Westersche wereld (Azië had zijn eigen problemen), die niet voor of tegen Franco was. Gaf Roosevelt er zich rekensdhap van, hoe nu de frontlijn liep, dan moest hij wel zeer bezorgd zijn voor de toekomst van zijn land. Niet alleen kwam onder den indruk van den Spaanschen krijg de spil tot stand, nu de twee leiders te Berlijn en te Rome den ernst der stonde begrepen en zagen, hoe het bolsjewisme eerst teruggeworpen op eigen territoor zidh opmaakte tot een tweeden veroveringstocht naar Europa, ditmaal met behulp der parttjen van het volksfront. Maar ook heel het conservatieve Europa schaarde zidh achter Franco: de imperiale vleugel der tories onder Chamberlain, het met Italië sympathiseerende deel van het Fransche volk, dus alles wat rechts van de kleinburgerlijke, z.g. „radicale partij" stond; het Vaticaan; Portugal; vooral ook de meeste staten van Zuid Amerika een combiiiatie die, den staatsman te Washington allerbedenkelijkst moest voorkomen. Natuurlijk, al die sympatieën tezamen vormden nog niet het draagvlak voor een wereldpolitiek in grooten stijl. Kiezen voor Franco en tegen het bolsjewisme stond nog niet op één lijn met samengaan met de zoo juist gevormde alliantie der beide autoritaire mogendlheden. Het aristocratisch Engeland en het conservatief-burgerlijke Frankrijk, mochten dan voor Franco zijn, in die zelfde landen was er een groot deel der bevolking, dat, zonder communistisch te voelen, aan het republikeinsche Spanje zijn hart schonk, en zijn afkeur van het bolsjewisme bij zijn liefde voor de „democratie" achterstelde. Machtige partijen als Labeur in Engeland en de socialistische fractie in Frankrijk, ja een invloedrijke politieke factor als de linkervleugel der Britsche conservatieven stonden achter Madrid of waren althans geneigd tot non-interventie in de hoop, aldus een succes van Franco te voorkomen.

Beslist was er nog niets. De keuze van Engeland en Frankrijk of die van het Vaticaan ingeval van een conflict, ontbrand om ruimer vraagstukken dan het Spaansche probleem, kon wel anders uitvallen, dan het er op dat moment naar uitzag. Maar toch vreesde de president der Ver. Staten reeds thans alles te moeten doen, wat hij kon, om een ontwikkeling, die het voorloopige 'front der voorstanders van het Spanje van Franco tot een definitieve anti-bolsjewistisdhe coalitie liet uitgroeien, te voorkomen.

Men zal misschien vragen: hoe kwam het burgerlijke, van alle radicale bewegingen afkeerige Amerika zoo partij te kiezen voor het roode Madrid? Het antwoord moet luiden: niet zoozeer vóór het eene dan wel tegen het andere principe gold de keuze.

Zoo gaat het ons allen in de meeste beslissende vragen des levens. De meeste. Want er zijn ook beslissingen, die louter positief zijn, zooals de keuze van zijn vrouw of van zijn beroep. Maar waar het andere pro-

blemen geldt, daar zijn wij gewoonlijk eerst dan zeker van ons diepste Zijn, weten wij eerst dan wat ons leven bepaalt, wanneer wij geplaatst worden tegenover een gevaar, hetwelk ons eigenlijk wezen bedreigt. Eerst de haat leert ons in zulk een geval, wat wij waarlijk lief hebben. Dat is de wet, die de poUtiek beheersdht. Niets bindt zoozeer als het bezit van een gemeenschappelijken vijand.

De haat jegens het andere principe, dat met een niet zeer passende term als „het fascisme" werd aangeduid, bond allen aaneen, die meenden, dat de „democratie" of zelfs „het christendom" in gevaar was. In het geval Spanje kon men nog niet dat „christelijke" argument aanvoeren, vandaar die coalitie van conservatieven waartoe ook het Vaticaan behoorde. Maar de haat tegen het „facisme" bleek een zoo krachtig bindmiddel, dat reeds op dit pimt vele kerkelijk gezinden aarzelden. Los van het Spaansche probleem zou de scheidslijn anders verloopen, die hoop mocht men te Washington koesteren. Niettemin, er was alles aan gelegen om te verhinderen, dat het nog losse front van antibolsjewistische krachten, dat onder den indruk der Spaansche gebeurtenissen tot stand gekomen was, tot een politieke macht zou uitgroeien.

Want hoeveel obstakels op dat tijdstip aan zulk een combinatie in den weg stonden, hoe groote moeilijkheden er ook verwijderd moesten worden, voordat Engeland en Duitschland elkander konden vinden, geheel onmogelijk was zulk 'n bondgenootschap niet. Wij weten thans, achteraf, hoezeer ook de Britsche mannen van rechts, welke „appeasement" met Duitschland op hun program hadden geplaatst, aan een traditie van heerschappij gebonden waren, die een juist begrip van de totaal nieuwe situatie schier onmogelijk maakte, die hun, anders gezegd, verhinderde den principieelen ommekeer in alle machtsverhoudingen in de wereld te doorzién, zoodat zij zich niet konden verheffen tot die hoogte van staatsmanschap, welke ter wille van een grootscheepsche regeling zeer belangrijke offers wil brengen. Het is ons, anders gezegd, eerst thans duidelijk, hoe de crisis sinds 1914 het geheele wereldbestel gewijzigd heeft, zoodat enkel de visie van een ruim denkend staatsman, die zich voorts door een geestelijk bewegelijk volk gedragen weet, hier het rechte had kunnen zien. Maar hiertoe ontbraken de voorwaarden in het Engeland dier overgangsjaren en men mag zich afvragen, of een waarachtig begrip van de situatie voor iemand, die aan den anderen kant van de lijn der „nietbezitters (den „have-nots") stond, wel mogelijk was.

Dat alles kunnen wij thans bedenken. Maar Roosevelt moest er toch mee rekenen, dat de Duitschers en Engelschen elkander op een grootsdheepsch program van herordening der wereld konden ontmoeten. Het ware het einde van des presidenten experiment. Zijn taak achtte hij het nu eenmaal, het land uit de crisis te verlossen, zonder aan de grondslagen zelve, waarop het gemeenebest berustte, te raken; ja alles, door hem tot stand gebracht, had die grondslagen nog versterkt. Wel had de sociale herordening de macht verplaatst: zij was van den door geen toezicht en moraal gebreidelden ondernemer gekomen naar den kleinburgerlijken farmer en arbeider. Maar juist op die wijze