is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap = Die Niederländisch-Deutsche Kulturgemeinschaft; orgaan der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap, jrg 2, 1942, no 5, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Karls V., Bitter vom Goldenen Vlies und ein so stolzer Herr dass er sich den Titel „geborner Graf von Holland" zulegte. Dies nahm ihm Kaiser Karl sehr übel, denn er beanspruchte diesen Titel für sich allein. Es Hess ihm durch seinen Herold das Wappen nehmen, verlieh ilhm jedoch spater wieder das Recht, es in der alten Form zu führen. Auch erhob der Kaiser, auf Ersuchen seines Günstlings, die Herrlichkeit Vyanen zur Grafschaft. Die Bedingungen waren jedoch derartig, dass Brederode es vorzog, den Titel Èaron beizubelhalten.

Ihm folgte Hendrik van Brederode, der Begründer der niederlandischen Freiheit. Als er gestorben war, glaubte das Volk nicht an seinen Tod, sondern erwartete seine Rückkehr aus Deutschland. Eine Nichte von ihm, Geertruijda von Hunnepel erbte das Schloss Brederode und von ihr ging es auf den Grafen von Mansfelt, Statfhalter von Luxemburg über.

Der letzte berühmte Sprosse des edlen Gesdhlechts war Johan Wolfaert, Feldmarschall des gesamten hollandischen Kriegsvolks zu Fuss und zu Pferd. Seine Gemahlin Anna, Tochter des Grafen Jan von Nassau, hinterliess ihm fünf Töchter und seine zweite Gattin, Louise von Solms, drei Söhne und fünf Töchter.

Alle drei Sö'hne starben kurz nach einander. Mif Wolfaert erlosch im Jahre 1679 die Linie Walravens I. Alle Güter gingen nun in den Besitz des Grafen Albrecht von Dohna über, der mit Wolfaerts Sekwester, Theodore, verheiratet war. Als dessen Söhne, i.J. 1686, vor

der Festuiig Ofen gefallen waren, wurden die Herrlichkeit Brederode und die anderen Liegenschaften Eigentum des Grafen Simon von Lippe Detmold, der mit der zweitaltesten Sekwester Brederodes verheiratet war.

Dieser verkaufte alle Güter i.J. 1725 an die Stande von Holland und Westfriesland für 898.000 Gulden.

Wie bereits erwalhnt, war die mannliche Linie der Brederodes erloschen. Allerdings bestand noch ein Zweig aus einer geheimen Bhe zwischen Reynout 111. und Ohatarijne van Holten, aber diese Ehe war nicht gesetzlich anerkannt und starb i.J. 1832 aus.

Auch von einem Bastardsohn Walravens van Brederode (1396) Diederijk genannt, leben in Nord-Holland einige, dem Arbeiterstande angehörige Nachkommen und auch noch die eines in Haarlem sesshaft gewesenen Buchhandlers, der seine Ansprüche auf den Titel Edler van Brederode mit viel Energie verteidigte. Aber das Adels-Kapitel von Holland hat seine Ansprüche nie anerkannt.

Die Ruine Brederode ist durch Altertumsfreunde, weldhe den Turm restaurierten, vor völligem Untergang gerettet. Sie steht da als Wahrzeichen einer grossen Zeit, als den Niederlandern noch idealere Ziele als die traditionelle Million vor Augen schwebten.

Jung und Alt pilgert an schönen Tagen dorthin, um ein bischen Romantik zu geniessen oder Ansichtkarten zu kaufen. Den Fremden, die Holland bereisen, ist ein Besuch sehr zu empfehlen.

Hoe een Duitscher uit de Ditmarschen

Friesland zag in iBoB

DOOR Y. KOLDIJK TE LEEUWARDEN

Barthold Georg Niebuhr, een zoon van de Noordduitsche Ditmarschen, had vanaf zijn jeugd groote belangstelling voor Friesland. Dat is begrijpelijk, als men weel dat deze man een groot taalgeleerde was (hij kende meer-dan 20 talen, waaronder ook het Westerlauwersch Friesch) en een grondig kenner der geschiedenis. Deze geleerde en bereisde man, die tevens een politieke figuur was en later zelfs gezant te Rome werd, kwam in ihet begin der 19e eeuw als gezant aan het hof van koning Lodewijk Napoleon. In Den Haag groeide in hem steeds meer het verlangen om Friesland te zien en met de Friezen kennis te maken. In den zomer van 1808 is dat verlangen in vervulling gegaan en in enkele brieven over Friesland welke zijn vertaald door Mr. J. Disko vertelt hij enthousiast over zijn belevenissen in dit gewest. Gaarne wil ik enkele belangwekkende zaken uit zijn brieven naar voren brengen, wijl deze een interessant beeld geven van Friesland in de dagen der Fransche overheersching.

Niebuhr begint met de mededeeling, dat de Hollanders en Amsterdammers geen belangstelling voor Friesland hebben. Dat weerhoudt hem echter niet, om in gezelsdhap van zijn echtgenoote mevrouw Amalia Behrend—Niebuhr, de lange reis te aanvaarden. In Enkhuizen neemt hij een beurtschip, dat na een reis

van 7V2 uur in het vervallen Stavoren aankomt. Tengevolge van een stevigen tegenwind had het schip moeten laveeren, vandaar de lange duur der reis.

Staveren, de voormalige Hanzestad en misschien wel de zetel der oude Friesche koningen, maakt op hem een deplorabelen indruk. Het is een armoedig stadje, en alleen de „ongéhoorde dijkwerken" imponeeren hem. Door de üngetiid (= hooioogst) zijn geen paarden beschikbaar en zoo is hij genoodzaakt den nacht door te brengen in deze vervallen stad, waar hij zich met een armoedig leger moet tevreden stellen. Den volgenden morgen reist hij in een open koets, met twee banken achterin, via de mooie landschapjes Workum en Bolsward naar Harlingen. In Workum ziet -hij vele huizen met luifels en ontdekt hij een mooie sluis. Bolsward, oude op een terp gebouwde handelsstad, vindt hij een rijke en bloeiende plaats. Al rijdende bewonderd hij het welvarende landschap. Hij mist de burchten, maar vindt dat heel verklaarbaar, want het leenstelsel had in dit gewest nimmer ingang gevonden, zoodat er geen oude riddersloten kunnen voorkomen. Terecht merkt hij op, dat de kracht van Friesland op het platteland ligt, anders als in Holland, waar de steden domineeren. Bij de „Stiemun Man", het beeld van Gaspar de Robles, moet hij even uitstappen. Hij mijmert over den vieese-