is toegevoegd aan uw favorieten.

De Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap = Die Niederländisch-Deutsche Kulturgemeinschaft; orgaan der Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap, 1942, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de onmiskenbare overeenkomst tusschen beide kunstenaars eene innerlijke betrekking, die alleen uit diepere verbondenheid van aard en wezen valt te verklaren. lets van ook onmiddellijker relaties tusschen Zuid-Duitschland en de Nederlanden bespeuren we evenwel in het geval van Stephan Lochner (f 1451) den schilder van het geniale Driekoningen-altaarstuk in de Keulschen Dom, het Duitsche pendant van Van Eyck's Lam Gods en omstreeks denzelfden tijd geschilderd, kort na 1430. In dit jaar was Lochner uit Meersburg aan het Bodenmeer, uit den kring van Witz dus, naar Keulen gekomen, waar hij het stoere naturalisme uit de school van dezen meester op bijzonder harmonische wijze verbond met den rijken vloerenden trant der school van Van Eyck. Lochner's werk beteekent aldus een aanknoopingspunt tusschen de Nederlandsche en de Duitsche schilderkunst, waarbij overigens nog te onderzoeken is, hoe en naar welke richting de krachten van hieruit hebben doorgewerkt.

Hans Memlinc, Mystiek huwelijk der H. Cathcrina: St. Janshospitaal Brugge. 1479.

Het is wel opmerkelijk, dat wij ook in de beeldhouwkunst van dezen tijd betrekkingen tusschen Nederland en Zuid-Duitschland kunnen vaststellen. De beeldhouwer Nicolaas Gerhaert van Leyden beitelt in 1462 zijn naamteekening op het grafmonument voor bisschop Jacob von Sierck te Trier. Dan trekt hij naar Straatsburg, waar hij aan het kanselarij-gebouw (in de 18e eeuw gesloopt) borstbeelden vervaardigt waarvan nog enkele behouden bleven, evenab een epitaaf voor Konrad Busang (1464) en een xruisbeeld op het Oude Kerkhof te Baden-Baden (1467). Inmiddels was hij in 1465 naar Konstanz vertrokken om daar een altaar en koorgestoelten in den Dom te vervaardigen. Keizer Frederik 111 riep hem vandaar naar Weenen, waar hij

diens beeld hakte in de dekplaat van zijn graftombe in den St. Stevensdom (1469). Zijn invloed deed de verzwakte Duitsche beeldhouwkunst herleven door de soepele bewegingsvrijheid van het Nederlandsche naturalisme. Aldus in de onder zijn inwerking van 1469 tot 1475 gesneden koorbanken te Ulm (toegeschreven aan Jörg Syrlin), maar vooral in het werk van den groeten Veit Stoss en in de geheele sculptuur van Oostenrijk en in het bijzonder ook van Stiermarken. Tot ver in de 16e eeuw blijkt de nawerking van den Nederlandschen meester. Van bijzonder belang is het op te merken, dat ook de groote schilder en graveur Martin Schongauer uit Kolmar (c. 1450—1491) in nauwe betrekking heeft gestaan tot Nicolaas Gerhaert. Niet alleen toch was Schongauer zelf in de Nederlanden geweest, als leerling van Rogier van der Weyden (c. 1400-1464), maar bovendien blijkt zijn broeder, de goudsmid Georg Schongauer, gehuwd te zijn geweest met een dochter van den Leidschen beeldhouwer 1 Deze verbindingen verklaren eenerzijds den invloed van den Vlaamschen meester met name in Schongauer's belangrijkste werk, de Madonna in de rozenhaag te Kolmar (1473); ten anderen kant doen zij een vermoeden rijzen, dat ook tusschen Jheronimus Bosch en Schongauer, die immers beiden in hun werken denzelfden uitzonderlijken zin voor het groteske, sprook- en spookachtige vertoonen, eenigerlei betrekking heeft bestaan. Het is nog een open vraag van welke in dit geval de bevruchitende stoot is uitgsgaan, maar feiten als deze doen ons, als in een plotselingen lichtflits, iets beseffen van de vele, thans meest onzichtbare draden, die het kunstleven in de Nederlanden met dat in de overige deelen des Rijks verbonden. Zoo weten wij thans ook, dat een van de groote meesters der Vlaamsche school. Hans Memlinc, te Seliganstadt in het Maindal (bij Aschaffenburg) werd geboren, omstreeks 1435, en tegen 1465 naar Brugge kwam. Maar juist de streek van Seligenstadt-Frankfort-Mainz is de haard van een omstreeks 1420 bloeiende Middenrijnsche schilderschool, die zich dan reeds onderscheidt door een fijn realisme en door haar blijheid, haar zachte, aardsche gratie. En dit nu zijn juist de opvallende kenmerken in het werk van Memlinc, die in 1491 een Calvarieberg schilderde voor de Maria-

Cornelis Floris, Stadhuis van Antwerpen

öe neöeßlAnösch-öuitsche kultuußQemeenschAp