is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 4, 1944, no 1, 1944

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of die steenhoop nu deze of gene „gestalte” aanneemt is niet van belang. De veranderde vorm verandert niets aan de „natuur” van den steenhoop. In het tweede geval kan men de maatschappij als een op zichzelf staand „geheel” denken, waarvan de bestanddeelen niet op zichzelf bestaan, doch slechts hun wezen ontleenen aan het feit, dat zij slechts een noodzakelijk deel van dat geheel zijn. Hiervoor kan als voorbeeld dienen een organisme i.c. het menschelijk organisme. De hand, het hart, een cel, ja zelfs het centrale zenuwstelsel, kunnen niet uit het geheel weggenomen worden, zooals uit een steenhoop de enkele steen.

De hand moge dan haar eigen taak hebben en zoo in zeker opzicht een eigen leven leven, zij kan dit echter slechts dank zij de terugstralingen uit alle andere levenshaarden van het lichaam, dank zij het levensvuur, dat in het geheel besloten ligt.

Reeds Aristoteles beweerde, dat een hand, die van het lichaam gescheiden wordt, geen hand meer is, omdat nergens de levenskracht in het afzonderlijke deel woont, maar altijd in het geheel zelfd,i.inden samenhang van alle deelen, in de afhankelijkheid van ieder deel van het andere deel. De eerste opvatting, die van den steenhoop, is door den Weenschen socioloog Othmar Spann genoemd:

Het individualisme.

waarbij dus de enkeling in de menschelijke samenleving het primaire en oorspronkelijke is en niet diens samenhang met het geheel. De grondslag van de maatschappij en haar wezen ligt in den

enkeling en niet in het geheel zelf. De menschelijke samenleving bestaat dus uit enkelingen, is niet iets eigens, iets zelfstandigs.

De tweede opvatting, die van het organisme, werd door hem genoemd.

Het universalisme.

waarbij dus het primaire, het oorspronkelijke, waarvan alles verder wordt afgeleid niet de enkeling is, maar het geheel, d.w.z. de maatschappij, de menschelijke samenleving. Hierbij is de enkeling niet meer Autark, staat hij niet meer op den bodem van zijn eigen Ik-heid, maar ligt het zwaartepunt, de uitgang der dingen in de gemeenschap. Daarbij is deze menschelijke maatschappij de eigenlijke werkelijkheid, het primaire, waarvan de enkeling slechts is afgeleid.

We zullen achtereenvolgens op dit individualisme en dit universalisme wat dieper ingaan, zien hoe ze zich in de geschiedenis in gestalten en stroomingen hebben geopenbaard en ontleden, welke consequenties deze beide opvattingen over de maatschappij op geestelijk-wetenschappelijk, cultureel, politiek en opvoedkundig gebied hebben gehad.

Het juiste inzicht in deze dingen doet des te beter begrijpen, wat zich in dezen tijd, nu het duidelijk begint te worden, dat de individualistische wereldbeschouwing wordt afgelost, trouwens niet voor de eerste maal, door de universalistische, eigenlijk zich afspeelt en van welke belangrijkheid dit is. C. BROUWER

%„„

Nu ner voorjaar zijn intrede heeft gedaan kunnen we weer de geheimzinnige en zinvolle bedrijvigheid waarnemen van de kleine volksgemeenschappen, die zich gedurende den winter in onze bijenkorven hebben schuilgehouden.

Een ondoorgrondelijk instinct

werkt hier ordenden en volgens een vast systeem, zoodat ieder van de vele duizenden kleine schepseltjes zijn aandeel heeft in het werk, dat noodig is tot instandhouding van het volk.

Sommige hebben tot taak in ontelbare, zware vluchten de honing en het stuifmeel aan te voeren,

waar de vele eters in den korf het heele jaar van moeten leven. Andere bouwen de raten en verzorgen het jonge broed.

Weer andere beschermen den korf tegen vijanden van buiten, of verrichten schoonmaakdiensten.

En nog eens andere werken onverpoosd aan den welverzorgden bouw van de gemeenschappelijke woning, sluiten met was ook de fijnste naadjes af, zoodat tocht noch vocht er binnen kunnen dringen.

Heeft dit volk niet reeds honderden, ja, vele duizenden jaren volgens deze orde geleefd? Nimmer is er een revolutie noodig geweest, doordat de rechtvaardigheid en de doelmatigheid van de bestaande orde boven eiken twijfel verheven zijn: ieder individu kent zijn plichten en weet zijn rechten verzekerd.

De Mensch is door de natuur met hoogere gaven uitgerust. Hij heeft den geest, het verstand, ontvangen. Daardoor is hij in staat te denken. Daardoor ook is hij boven alle andere levende wezens verheven en kan hij als heer en meester heerschen over ettelijke dier-