is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 4, 1944, no 4, 1944

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land had dit zijn beteekenis. Hij drukte zijn stempel op de school en wat meer zegt... op het dorpsleven. Hij was de schakel (het heden) tusschen het verleden (de sibbe- en volksche tradities) en de toekomst, door deze volksche waarden over te geven aan de aan hem toevertrouwde jeugd. Hij wist door zijn imponeerend voorbeeld karakters te vormen. De trek naar de stad was hem vreemd. Daar kon hij niet leven. Zijn werk lag op het platteland, want hij was vergroeid in dat heem. En met welke primitieve leermiddelen en in welk een schoolomgeving wist hij zijn leerlingen te bezielen! Wat heeft de zoo uitstekend geoutilleerde „onderwijzer” van tegenwoordig van de school als opvoedingsinstituut gemaakt? Leg uw oor eens te luisteren, hoe die eenvoudige menschen u weten te vertellen van het leven en werken van „hun” meester en hoe zijn voorbeeld ze heeft geïmponeerd en gestaald.

Dit alles is voor het grootste gedeelte kapot gemaakt door den humanistischen geest en de daarmee gepaard gaande scholensplitsing.

Volgens de statistiek hebben we in totaal ± 7.000 scholen met i 30.000 leerkrachten. Dat wil dus zeggen, dat ons corps 7.000 leiders zou moeten leveren. leder, die een beetje inzicht in de maatschappelijke samenstelling heeft, zal op zijn vingers na kunnen tellen, dat het onmogelijk is uit een corps van 30.000 leerkrachten 7.000 werkelijke leidersfiguren te recruteeren, d.w.z. 1 op 4.

En de inspectie dan, zult ge vragen ? Welken invloed heeft de inspectie tot nu gehad op den gang van zaken in de school ? leder weet, dat de inspecteur, naast een administratieve een controleerende taak heeft, die hij, gezien de grootte van de inspecties, ook nog moeilijk kan volbrengen. Zijn invloed op het „onderwijs” is, vooral bij het bijzonder, practisch nihil.

Gestalte geven aan onze opvoedingsinstituten kan door woord en daad door de inspectie worden gestimuleerd, de daad moet echter voor ’t grootste gedeelte uit deze instituten zelf voortkomen.

Wie is nu de aangewezen leider?

Als men de Wet nagaat, alsmede de programma’s van de verschillende onderwijsorganisaties, dan blijkt ook hier weer de humanistische geest.

De Wet bepaalt, dat de benoeming van den onderwijzer aan het hoofd der school geplaatst, geschiedt uit een voordracht van zoo mogelijk tenminste drie bevoegden, opgemaakt door burgemeester en wethouders, in overeenstemming met den inspecteur. Indien burgemeester en wethouders en de inspecteur niet tot overeenstemming kunnen komen, gaat aan de benoeming een vergelijkend onderzoek naar de geschiktheid der candidaten vooraf. Dit onderzoek geschiedt mondeling of schriftelijk en mondeling. Het schriftelijke strekt, om de candidaten zoowel uit wetenschappelijk als uit paedagogisch oogpunt te leeren kennen en den aard en het gehalte hunner kundigheden en hunner verstandelijke ontwikkeling, het mondelinge, inzonderheid om hen te leeren kennen in hun paedagogische bekwaamheid en in hunne persoonlijkheid.

In de practijk is van dit laatste weinig gebruik gemaakt. De bewoording is echter teekenend voor den tijd. Het zwaartepunt werd gelegd op de theoretische kennis. Wij weten, dat het volkomen onjuist is, om uit het feit, dat iemand over veel theore-

tische kennis beschikt, de conclusie te trekken, dat deze ook met veel leiderscapaciteiten zou gezegend zijn. Het aantal akten bepaalde zijn maatschappelijke waarde. Zijn de autoriteiten momenteel hier reeds aan ontkomen ?

De onderwijsorganisaties maakten het nog bonter. Als voorbeeld willen we nemen de programma's van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers en het Nederl. Onderw. Genootschap.

B. V. N. O. De leiding in de school wordt opgedragen aan het personeel der school, hetwelk daartoe in schoolvergaderingen bijeenkomt. Het personeel kiest een voorzitter. De republikeinsche school, N.O.G. dus. Een promotiestelsel, waarbij de candidaten, die na ingesteld onderzoek geschikt zijn bevonden in volgorde van leeftijd ter benoeming worden voorgedragen, terwijl de candidaten in de gelegenheid moeten worden gesteld de reden van niet-benoeming te leeren kennen. De wetgevende macht in de school berust bij de schoolvergadering, de uitvoerende bij het hoofd der school, die door de overheid wordt benoemd.

Het is duidelijk, dat op deze wijze aan het hoofd eener school niet die man wordt geplaatst, die er krachtens zijn capaciteiten hoort. Het werd een afvlakking naar onderen. De school werd kennisaanbrengend instituut en geen opvoedingsinstituut. Het was de kracht uit den chaos, die naar den geestelijken chaos leidde.

En nu is dit juist funest voor de dorpsgenieenschap. Overheid, zet daarom in ieder dorp weer een man neer, die put uit de oeroude bron van zijn heem, die aan zijn dorpsgenooten weer iets mee kan geven in het leven, die karakters kan vormen, die leiding kan geven aan het personeel der school. Geen drie of meer, zooveel zijn er niet, maar één.

En de leerkrachten, die aan deze scholen gevormd worden, kunnen bevruchtend werken op de stadsschool. Deze opvoeders zullen zich niet richten naar de stadsschool, zij zullen weer van de dorpsschool maken een instituut van opvoeding. Naar dit instituut zal de stadsschool zich in de toekomst moeten richten. Hieruit zal zij haar levenssappen moeten trekken en niet omgekeerd.

Bij de zoo straks geschetste verwording van de leiding in de school kwamen personeelskwesties natuurlijk veelvuldig voor.

Dit kon niet anders.

De natuurlijke autoriteit van het hoofd der school zal deze weten te voorkomen.

Hij, die verantwoordelijkheid draagt en dit gevoelt, zal ook anderen verantwoordelijkheid willen geven. Leider zijn beteekent, dat hij zijn personeel in beweging zal kunnen brengen. Wie de revolutie van dezen tijd aanvoelt, zal hiermede de school beroeren en de inspectie zal in de toekomst de leiders moeten kiezen uit degenen, die als vanzelf uit deze revolutie uitkristalliseeren. Hoe de toekomstige benoemingswijze ook wordt, met het oog op het heem is het zaak, dat ook een plaatselijk autoriteit, 't zij burgemeester, groepsleider of buurtboerenleider over den te benoemen persoon wordt gehoord en dat deze nauw contact houdt met vorengenoemde personen.

Eén van zijn voornaamste taken is het opstellen van een opvoedingsplan voor zijn dorp. Daarover een volgenden keer. A. HOMMES