is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 4, 1944, no 8, 1944

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grenzen genoemd werden. Juist dat, waarin ons volk groot was, wordt niet op de gymnasia en H.B. scholen onderwezen.

Een ander gebrek in de opleiding is, dat er niets gedoceerd wordt over muziek. De klacht, dat het concertbezoek gering is, vindt zijn oorzaak in het feit, dat de jeugd niet geleerd wordt naar goede muziek te luisteren. De jeugd kiest nu den weg van den minsten weerstand en luistert naar volksvreemde jazz-muziek. Van de drie elementen der muziek: rhythme, melodie en harmonie is het gevoel voor rhythme in ieder normaal mensch aanwezig (denk aan het arbeidslied van de primitieven). Melodieën leeren we als kind zingen en onthouden die meestal gemakkelijk. Zoowel het hooren van melodieën als het hooren van harmonieën moet ontwikkeld worden. Jazz-muziek is gemakkelijk aan te hooren, omdat er voor onze ooren eenvoudige melodieën en harmonieën in zijn. Het karakter van het rhythme is van den neger gestolen; het imponeert door zijn weemoedigheid. Dit rhythme wordt gemengd met Westersche melodieën en harmonieën. We krijgen zoo een muziek, die noch negermuziek, nóch Westersche muziek is. Deze muziek veroorzaakt slapte van geest, omdat iedere inspanning bij het aanhooren overbodig is.

Het doceeren van vakken als geschiedenis, aardrijkskunde, staatsinrichting moet ook grondig veranderd worden. Welke leerling van onze gymnasia en H.B. scholen is op de hoogte van de vraagstukken van dezen tijd, waarin een wereld ten onder gaat en een nieuwe geboren wordt?

Behalve kennis van de grondbeginselen van de natuurphilosophische vakken, van geschiedenis, aardrijkskunde, talen, moet dus den leerling meegegeven worden de kennis van het schoone. Dit bezit zal hem rijk maken, het zal hem telkens opheffen uit de sleur van het leven. Hij moet een schilderij, een mooi gebouw kunnen zien, een mooi boek kunnen begrijpen, goede muziek kunnen hooren. Voor lichaamsoefening moet veel meer tijd beschikbaar zijn. Een gezond en geoefend lichaam behoort bij den leerling, die na zijn eindexamen zijn volk moet dienen. Op deze wijze verlaten leerlingen onze scholen, die niet alleen een bepaalde hoeveelheid kennis hebben, doch die harmonisch ontwikkelde jonge mannen en vrouwen zijn; die behalve kennis ook karaktervorming hebben ontvangen. Niet kennis is macht, doch karakter en levensstijl is macht.

Een grondige verandering van het programma laat echter nog steeds op zich wachten!

De leiders van Gymnasia en H.B.scholen zullen dus moeten zoeken naar mogelijkheden om nu reeds de noodigste verbeteringen aan te brengen, zonder dat men in conflict komt met het voorgeschreven programma.

Deze verbeteringen zijn voornamelijk te vinden in het invoeren van kunst-vakken op het programma. Hierbij moet aan alle takken van de kunst gedacht worden, d.w.z.: aan de optische kunst (bouwkunst, beeldhouwkunst en schilderkunst), de woordkunst, de acoustische kunst (muziek, tooneel, declamatie) en de danskunst.

De optische kunst kan gedoceerd worden door leeraren voor Nederlandsch, aardrijkskunde en teekenen. In de vierde klassen kan één uur Neder-

landsch gebruikt worden voor kunstgeschiedenis, de aardrijkskundeleeraar kan zich toeleggen op het bespreken van kunstvoortbrengselen, de teekenleeraar kan zich toeleggen op het laten zien en bespreken van voortbrengselen van schilderkunst en teekenkunst. Deze drie docenten kunnen steeds met elkaar overleg plegen, zoodat de leerlingen een samenhangend inzicht krijgen. Als toelichting is bezoek aan mooie gebouwen, tentoonstellingen en musea gewenscht. Is dit ónmogelijk, dan moet vooral aandacht besteed worden aan het zien van reproducties.

De woordkunst wordt gedoceerd door de leeraren voor de talen. Zij gullen zich voornamelijk moeten beperken tot de mooiste voortbrengselen van de litteratuur.

Belangrijk is, dat de leerling niet alleen kennis maakt met Nederlandsche, Duitsche, Engelsche en Fransche litteratuur, doch ook iets hoort over meesterwerken, die in andere talen geschreven werden; ik denk b.v. aan het werk van Ibsen en Dante. Op deze wijze krijgt de leerling een overzicht van de schoonste voortbrengselen van de wereldlitteratuur. Deze taak kan een leeraar voor de moderne talen op zich nemen, die zich voor dit onderwerp interesseert.

Voor deze plannen is geen vermeerdering van het aantal uren noodig. Wel is dit het geval bij de rnuziek. Het beste is, dat in het begin alle leerlingen uit de vierde klasse deze les volgen. Blijkt het, dat er bij zijn, die in het geheel geen belangstelling toonen, dan kunnen zij wegblijven. Op deze lessen moet naar voren gebracht worden 0.a., hoe een orkest is samengesteld, hoe een opera wordt opgebouwd, welke voortbrengselen er zijn van groote meesters. Een regelmatig hooren van goede muziek moet deze lessen ondersteunen en doen leven.

Tot zoover de bijdrage, die de school levert. Het andere moet gedaan worden door de leerlingen. De algemeene klacht, dat de schoolclubs geen inhoud hebben, is dan meteen opgeheven. De leerlingen kunnen onder leiding van directeur, rector of leeraar fragmenten opvoeren uit goede tooneelwerken, zij kunnen muziekavonden organiseeren en zich toeleggen op volksdansen. Zóó wordt den leerling een geheel medegegeven van het schoone. Dit zal hij nooit vergeten en het zal zijn leven verrijken.

De bovengenoemde veranderingen zijn reeds geheel of gedeeltelijk ingevoerd op de derde gemeentelijke H.B.S. te Rotterdam. Het overgroote deel der leerlingen is zeer enthousiast hierover. De verloopen schoolclub heeft nieuw leven gekregen. Er worden avonden georganiseerd, waarop declamatie en klassieke muziek ten gehoore worden gebracht door de leerlingen zelf of door hun leerares voor muziek. Ook de volksdans ontbreekt niet.

Voor verdere karaktervorming is het noodig, dat de leerlingen zich vrij kunnen uitspreken in tegenwoordigheid van een directeur, rector of leeraar, die den strijd van den jongen mensch in het nieuwe Europa begrijpt. Dit wil de jeugd. De resultaten van zulke ~debat avonden zijn bijzonder te noemen. In een ander artikel hierover meer.

Dr. M. H. WERTHER