is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 3, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te bevorderen, door het beschikbaar stellen van goedkoope leerlingenkaarten, waarop leerlingen van de hoogste klassen . der middelbare scholen, vrijen toegang hebben op bijna alle tentoonstellingen, die in het gemeentemuseum worden georganiseerd. Het gevolg hiervan was, dat in het laatste jaar reeds meer dan 1200 kinderen van deze kaarten gebruik maakten. Wij vinden dit bezoek van zoovele jonge kunstvrienden natuurlijk prachtig, maar vragen ons toch wel eens af, of deze bezoeken zonder eenige leiding of zonder eenige verklaring door de volheid, die er meestal in een museum heerscht, niet eerder verwarrend, dan verhelderend werken. Het is nu eenmaal niet iedereen gegeven op de juiste wijze een museum te bezoeken, en vooral jonge menschen meenen veel te moeten zien om het museumbezoek loonend te maken. Doch ook hier geldt; Niet het vele is goed, maar het goede is veel.’ Bespreek desnoods een paar belangrijke kunstwerken, maar doe het dan ook goed, d.w.z. tracht de jeugd te leeren zien door de oogen van den kunstenaar, maar vooral leer haar iets verstaan van de innerlijke waarde, van den geest, die uit zijn werken spreekt en bijzonder van die kunstwerken, waaruit de typisch Nederlandsche volksaard zoo sterk naar voren treedt. In deze kunstbeschouwingen ligt een prachtig brok musische opvoeding, want door de werken van onze grootmeesters in de Nederlandsche kunst kunnen wij de jeugd weer wakker schudden tot de bewustwording van orize volksche waarden en onze lotsverbondenheid aan bloed en bodem. De Nederlandsche rijpere jeugd die toch heusch wel ontvankelijk is voor goede kunst, zij kent ternauwernood de namen van hen, die aan ons kleine land den grooten naam gaven, die het in de kultuurgeschiedenis der volkeren wist te veroverep.

Teneinde de jeugd meer met de kunst van vaderlandschen bodem vertrouwd te doen geraken, hebben wij voor eenige jaren proefnemingen gedaan de kunst in de school te brengen.

Van verscheidene vooraanstaandej levende kunstenaars, schilders zoo-j wel als 'beeldhouwers, lieten wij de| werken in de school brengen, nielj om ze in een enkel lesuurtje te kijken en te bespreken, doch om rustig in den geest der jeugd te opnemen. Meestal bleven _ de* werken drie of vier weken in een speciaal daarvoor ingericht tentoonj stellingszaaltje opgesteld, waar dd leerlingen gedurende de DaltonJ uren d.z. de vrije uren voor stuJ die hun indrukken van de tenJ toorigßitelde werken konden verj

zamelen en in een kort opstel kon- z den weergeven. z Zonder eenige voorafgaande bespreking van onzen kant, gaven 1 deze opstellen dan een zuiver beeld, c hoe de leerlingen op deze werken i reageerden. Pas na deze vrije uit- ( spraak volgde dan van onzen kant een bespreking bij de kunstwerken zelve, waarin wij trachtten aan de ] hand van de ingekomen opstellen, ] zooveel mogelijk onjuistheden in de , beoordeeling dezer werken recht te ] zetten en hun innerlijke waarde be- , ter te leeren verstaan.

Deze proeven hebben ons zeer veel voldoening geschonken en menig leerling leerde door deze tentoonstellingen in de school _ beter over kunst oordeelen dan menig volwassene, voor wien het leeren zien en 'begrijpen van kunst altijd een gesloten boek zal blijven. Vanzelfsprekend konden wij door het organiseeren van zulke tentoonstellingen niet alles bereiken, wat wij gaarne onder de oogen van onze leèriingen hadden willen brengen. De vele kostbare werken onzer groote meesters, die nimmer de musea verlaten, kunnen nu eenmaal niet anders dan ter plaatse bekeken en besproken worden. |

Een voordeel van deze schooltentoonstellingen was evenwel, dat zij rustig konden worden bekeken en lederen dag voor de jeugd open stonden. Kunst moet men beleven, en voor beleven is tijd noodig, die ons meermalen een museum- | hmaak ontbreekt. |

Tenslotte zou bij den lezer de vraag kunnen rijzen, hoe wij ons een dergelijke organisatie voor de rijks-hoogere burgerscholen voorstellen. Ons antwoord daarop zou luiden ; Inderdaad zal het museumbezoek en het brengen van kunst in de school in de groote steden gemakkelijker en beter kunnen plaats vinden dan in de provincies, doch waar de Nederlandsche Staat zich in den laatsten tijd het lot van den kunstenaar meer en meer gaat aantrekken en zijn werken koopt, zouden deze werken, indien zij door den Staat in circulatie werden gebracht uitstekende diensten kunnen I bewijzen bij de musische vorming , van de leerlingen buiten de groote ( steden. Wij begrijpen, dat hieraan [ ook wel eenig risico verbonden zal . blijven, doch bij een ernstige poe ffing, in die richting, mag men van I de zijde der opvoeders een .even ern) stige behartiging van dit voor de t musische opvoeding van de jeugd , zoo belangrijk experiment verwach- I ten.

Muziek

Een van de musische leervakken, die aan de opvoeding van de jeugd

zooveel glans kunnen bijzetten, is zeker wel de muziek. Het is opmerkelijk, dat ook dit leervak, in de tijden van het alles overheerschend intellectualisme, nooit een kans gekregen heeft op de scholen voor V.H. en M.O. te worden ingevoerd.

Wel bestaat er op de lagere idlolen een z.g.n. zangonderwijs en willen wij den velen onderwijzers en onderwijzeressen den lof niet onthouden voor de wijze, waarop zij getracht hebben het Nederlandsche lied in onze scholen te brengen, doch wanneer wij de resultaten van dit zangonderwijs zouden moeten 'afmeten naar de wijze waarop en naar de liedjes waarmee het Nederlandsche volk bij verschillende gelegenheden zijn muzikale gaven ten beste gaf, dan kunnen wij toch niet zesrgen, dat het Nederlandsche volk iHirft ïeeren zingen. I

Zelfs het volkslied hoorden wij voor enkele jaren nimmer uit volle overtuiging ten gehoore brengen. Zooals alles, had ook dit zijn grond. Het feit, dat te pas en te onpas ons volkslied werd gespeeld, een der redenen, waarom de ware zin onzer nationale hymne nimmer tot het volk is doorgedrongen. Wij hebben in dezen met een enkel voorbeeld slechts te herinneren aan het feit, • dat in dezen z.g.n. vaderlandslievenden tijd de hoogste Magistraat van een onzer grootste gemeenten m ons land het op zekeren dag oorbaar achtte een negerin en caharetartiste van niet onbesproken gedrag met het volkslied te moeten _ binnenhalen ! Daarom moeten wij het Nederlandsche volk weer leeren zingen en te pas leeren zingen. Een goede bundel vaderlandsche liederp zou werkelijk in ieder huisgezin, op iedere school, ja, in de boekentasch van iederen jongen en meisje geen weelde zijn. |

' Waar”zong de jeugd en wat zong de jeugd! Vraag haar niet naar een pittig vaderlandsch lied en vraag haar nog minder naar de groote mannen,' die in de muziekgeschiedenis van ons land in het buitenland nog meer bekend zijn dan in eigen huis. Wat weet de jeugd van een Obrecht, een Sweelinck een Orlando di Lasso, een Adriaen Willaert. een Zweers, een Diepenbrock. Verknoeid is onze jeugd door den geweldigen stortvloed van decadente jazzmuziek, die als volksvreemde prullenrommel over haar hoofd is uitgestort. Maakte men de jeugd daarop opmerkzaam, dan kregen wij als opvoeders vaak te hooren he ware” van de jazzmuziek dan met te begrijpen. Nu, of wi| het be-J-epen 'en goed ook! Men heeft deze protesteerende sorrymannctjes slechts aan te zien. Zelfs in hun