is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 12, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rector Leidsch Qymnasium voor den Vrederechter

Hoewel wij in het algemeen geen plaatsruimte voor het behandelen van rechtszaken kunnen beschikbaar stellen, hebben wij gemeend, in verband met de principieele zijde der onderhavige aangelegenheid een uitzondering te moeten maken voor een zaak, die dezer dagen voor den vrederechter heeft gediend. Onderstaand verslag is in zijn geheel ontleend aan het dagblad „Het Vaderland” van 10 Juli 1943. Aangezien de vrederechter bij het persklaarmaken van dit nummer .nog geen uitspraak had gedaan, zullen wij ons vooralsnog van commentaar onthouden, doch hopen in één der eerstvolgende uitgaven van ons blad over deze zaak nog iets meer te kunnen zeggen.

De verplicliiiig voor leeraren om een bepaalde vergadering bü te wonen

Midden November 1942 kreeg dr. A. Scholte, de rector van het Leidsche gymnasium, de mededeeling van den president-curator, prof. Muller, dat de meerderheid van het college besloten had artikel 13 sub. 8 van het reglement van toepassing te verklaren voor het bij wonen van een vergadering op 30 November, waarin dr. W. F. de Groot, de wethouder van Onderwijs van ’s-Gravenhage, zou spreken over o.ndeiwijs en opvoeding in nationaalsocialistischen zin. Dit artikel bepaalt, dat rector en leeraren ook na de schooltijden zich beschikbaar stellen voor werkzaamheden in het belang van het gymnasium.

De rector was van meening, dat curatoren hun bevoegdheid te buiten gingen, ook omdat de vergadering niets met dat gymnasium te maken had en sprak er met den president-curator over, die evenwel de kennisgeving handhaafde. Of hij zelf al dan niet naar de vergadering dacht te gaan, daarover liet de rector zich in dit gesprek niet uit, verklaarde ook prof. Muller naderhand. Dr. Scholte heeft de kennisgeving aan alle leeraren verstrekt; zij waren van meening, dat curatoren niet het recht hadden hun het bezoek van de bewuste vergadering voor te schrijven, aangezien dit met het gymnasium niets had uit te staan, pleegden overleg, praatten er ook met den rector over. Maar deze, gelijk hij zelf en de twee als getuige gehoorde leeraren verklaarden, heeft niet den minsten invloed geoefend op hun meening en hun besluit om de vergadering niet bij te wonen en zijn eigen meening, al kwam die overeen met de hunne, voor zich gehouden. Op 30 November heeft vrijwel geen der leeraren de vergadering bijgewoond, met het gevolg dat de rector 13 December de aanzegging van den burgemeester kreeg, dat ’t in zijn voornemen lag hem disciplinair te straffen. Het gevolg is geweest een dagvaarding voor den vrederechter alhier wegens overtreding van art. 358 bis W. S., dat strafbaar stelt den ambtenaar, die met het oogmerk om in de uitoefening van een openbaren dienst stremming te veroorzaken, nalaat of, op een wettig gegeven last, weigert

Slot van pagina 3

rechtstreeksch nationaal belang!) dan zal men in de toekomst uit moeten zien naar leerkrachten, die vrijwel uitsluitend uit de practUk komen!

Men zal het onderwijzen van de handelscorrespondentie dus niet in handen mogen leggen van de gewone onderwijzers, laat staan van de religieuzen, die toch heelemaal buiten het zakenleven staan.

Nogmaals: het „zaken-man worden” eischt jaren ervaring en daarom kan een onderwijzer niet in staat zijn (omdat het zijn vak niet is) om goed les te geven in de handelscorrespondentie in haar geheel. Deze zelfde geopperde bezwaren vinden' we in even groote mate bij de opleiding voor het Middenstandsexamen.

In ongeveer ieder dorp heeft de eerste de beste onderwijzer, die nooit van den handel heeft gehoord, een cursus in elkaar geschroefd voor de opleiding voor het Middenstandsdiploma!

Ook dit is een ongewenschte toestand waaraan, in het belang van onze toekomstige middenstanders, spoedig een einde dient te komen.

Een gediplomeerd boekhouder met practische ervaring, is hier de aangewezen man.

Ph. FICKINGER

werkzaamheden te verrichten, waartoe hij zich uitdrukkelijk of uit kracht van zijn dienstbetrekking heeft verbonden.

Mr. Sormani bracht ter zitting dadelijk de bevoegdheidsquaestie van den vrederechter in het geding, aangezien het geval met den politieken vrede of de hoogste politieke belangen der volksgemeenschap niets uitstaande heeft gehad, doch de vrederechter verklaarde zich bevoegd, aangezien de procureur-generaal bij het Vredegerechtshof de zaak naar hem heeft verwezen.

De leeraar dr. W. Wiersma verklaarde tegen het bijwonen van de vergadering in quaestie zuiver juridische bezwaren te hebben gehad en van meening te zijn geweest, dat curatoren hun bevoegdheid te buiten waren gegaan. De rector had niet alleen niet den minsten invloed op de leeraren geoefend en zijn eigen meening niet te kennen gegeven, doch nog gewaarschuwd te overwegen of de nadeelen voor de school niet grooter konden zijn dan de voordeelen voor de leeraren bij hun beroep op hun rechtspositie. Het was niet de bedoeling geweest den dienst der school te stremmen, want daar kon immers geen sprake van zijn. De dienst is ook niet gestremd. Alles is op school volkomen normaal verloopen.

De verklaring van den leeraar ir. A. A. Lagaay kwam geheel overeen met die van zijn collega.

Dr. Scholte verklaarde, dat hem duidelijk was gebleken, dat er geen animo bij de leeraren bestond om naar de vergadering te gaan, welker bezoek door de kennisgeving van curatoren verplicht was gemaakt. Bij hem zelf was het ook ’t geval geweest. Hij had dadelijk gevoeld, dat het een zaak van grooter gewicht zou kunnen worden, had geaarzeld, maar ten slotte is het overgroote deel der leeraren niet gegaan. Ook hij niet. Beleefdheidshalve heeft hij curatoren schriftelijk medegedeeld, dat hij niet ging.

Staat het wel aan u de bevoegdheid van curatoren in twijfel te trekken?

Mijn gezond verstand bracht mij daartoe. U hadt u moeten neerleggen bij het besluit van curatoren.

Curatoren verklaarden een artikel van toepassing, dat dus niet van toepassing was. Dat is absurd, mijn gezond verstand kan daar niet tegen op. dat is onzin. Het was een quaestie van gehoorzamen. Dr. Scholte had juridisch advies ingewonnen, dat zijn opvatting geheel dekte.

Had u zooveel bezwaar? Ja. Het was een belangrijke inbreuk op den gang van zaken, van boven af.

Is dat inbreuk op den gang van zaken? Is ’t zooiets geweldigs, dat er zoo’n uithaal van moest worden gemaakt?

Wij zijn geen juristen, maar hebben uiteraard de zaak als belangrijk beschouwd, omdat ze consequenties kan hebben. Als aan de leeraren kan worden opgelegd hier en daar naar toe te moeten, dan weten we niet meer waar ’t toe kan leiden.

Co.nsequenties. Als ik ’t niet wou, dan zei ik; ik denk er niet aan, mij niet gezien, dag heeren

Mr. Sormani: Dat mag niet meer. Nu niet, toen nog wel en zelfs nu nog wel.

Dat noem ik Fahnenflucht.

Ik noem het karaktervastheid. Als ’t mij overkomen was, dan was ik weggegaan. Niemand kan me dwingen iets te doen wat ik niet lust en dat volgens mijn geweten niet in orde is. Welke bezwaren had u eigenlijk tegen het bijwonen van de vergadering van dr. De Groot?

U spitst, door juist deze eene te noemen, het geval sterk toe. Curatoren zouden ook op godsdienstig of wetenschappelijk gebied net zoo hebben kunnen handelen, het gaat niet om het onderwerp, alleen om den dwang die er achter zat. De dienst van het gymnasium is op geen enkele wijze gestremd geweest. Hoe zou t ook kunnen?

De officier wees er op, dat artikel 358 bis is gemaakt na de spoorwegstaking van 1903 en alleen voor zooiets bedoeld is. De beschikbaarstelling moet naar het spraakgebruik worden opgevat. Zoo ook het begrip werkzaamheden. Er is geen stremming van den dienst veroorzaakt, het onderwijs heeft onverminderd voortgang genoten, en