is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 26, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die stelling graag over. Dat slagen hangt af van het karakter en van de capaciteiten van hoofd en hand. Daaruit zal beslist worden, welke plaats de jonge Nederlanders in onze maatschappij, zal innemen en daarbij geldt ons devies. „De rechte man op de rechte plaats”. Wij zijn nu van meening, dat reeds bij onze leerlingen geselecteerd moet worden, opdat zij de bij hun geboorte meegekregen capaciteiten de besten van hoofd en hart en hand onder de meest gunstige voorwaarden ontwikkelen kunnen. Aan ons vakmenschen, die midden in de praktijk staan is het gegeven buiten alle kunstmatige tests orn, deze selectie bij onze leerlingen toe te passen. Wij kunnen dat na 4 jaar reeds

als wij onze taak en onzen plicht goed beseffen. Dat kan echter als een totale reorganisatie van het tecnnische gedeelte van dé L.0.-wet tot stand is gekomen. Werkt daarom mee. Er is reeds veel partieel tot stand gekomen, veel en veel meer meet er gedaan worden. Weest daartoe de stuwkracht.

Als ge zoo uw lidmaatschap van het Opvoedersgilde begrijpt en beleeft, zult ge tot heil van ons Volk en Vaderland werkzaam zijn. BRAKEL,

Toespraak van kam. G. F. Vlekke op de bijeenkomst bij gelegenheid van het 3-jarig bestaan van het Opvoedersgilde in het N.V. Huis te Utrecht op Zaterdag 2 October 1943.

KLEINTJES!

In een onzer inspecties op het lager onderwijs, bet doet er tenslotte niet toe welke, stuurde de insipecteur naar aanleiding van een schrijven van den Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming het volgende rondschrijven uit:

Aan de Hoofden van Scholen in de Inspectie

De Heer Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming meldt mij het volgende; „Mijn ambtgenoot van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten heeft ter bevordering van de nederlandsohe benamingen voor de maanden een vloeiblad laten vervaardigen, waarop naast de gebruikelijke Latijn sche benaming der maanden de Nederlandsche word. aangegeven. Ten einde te bevorderen, dat deze benamingen meer en meer burgerrecht zullen verkrijgen, is het gewenscht, dat deze vloeibladen in handen komen van de leerlingen van het .gewoon lager onderwijs, het uitgebreid lager onderwijs en het voortgezet lager onderwijs.”

Gelet op het betrekkelijk gering aantal vloeibladen, .dal ■voor verdeeling beschikbaar is de Materiaaldienst van de N.S.B. deed mij slechts 5000 exemplaren toekomen is het gewenscht, dat bij voorkeur de verspreiding geschiedt onder de oudere leerlingen. Opdat geen exemplaren verloren gaan, worden de vloeibladen alleen gezonden aan die Hoofden van scholen, die met deze uitreiking instemmen. Mocht mij blijken, dat de gezonden voorraad niet voldoende is, dan ,zal dit volgens mededeeling geen bezwaar opleveren.

Uw aanvraag dient vóór 29 September mijn Bureau te bereiken.

De Inspecteur van het Lager Onderwijs

in de Inspectie.

Afgezien van het feit of de tegenwoordige papierpositie het wel wettigt om voor een luttele zaak als een vloeiblaadje een geheel rondschrijven uit te doen gaan, geeft bovenstaand schriftuur aanleiding tot een kleine beschouwing.

Dit rondschrijven was bestemd voor alle hoofden van scholen in de inspectie, vooral van de vele Prot. Christelijke

en van de Kath. scholen, maar ook van de Openbare onderwijsinrichtingen. Terecht waarschuwt de inspecteur tegen verspilling en wijst daarbij op het geringe aantal bladen, dat tot Izijn beschikking staat, ofischoon hij later beweert, dat dit eigenlijk niets hindert, aangezien hij bij niet voldoenden voorraad er meer aan zal kunnen vragen. Maar waarom hij er „de Materiaaldienst der N.5.8.” met de haren bij sleept is ons een raadsel. Dat wil zeggen, zoolang wij goede trouw veronderstellen. En dat kunnen wij hier moeilijk. Propagandistische bedoelingen ten opzichte van de Beweging kunnen wij bij dezen man niet veronderstellen en macht het zoo zijn, dan zouden wij zeggen: ~Ooh toe, laat dat nu maar aan de propaganda der Beweging over.” Neen, dit is weer zoo’n geniepig speldeprikje, zoo’n heel klein sabotage gevalletje. „Niet waar, ik doe toch mijn plicht, maar ik zal toch fijn zeggen, dat het heele spullelje van die N.S.B. afkomstig is.” Och, het is zoo miezerig klein, te klein om over te schrijven eigenlijk, zoo’n kruimeldieverij op het groote gebied van de tegenwerking., Zeker er zullen nu hoofden van scholen zijn, die geen vloeiblaadjes nemen en dan heeft mijnheer de inspecteur zijn stiekeme zinnetje. En dan is er weer iets gedaan, wat de iheeren van .den overkant welgevallig is. Wij weten wel, wij zien dit alles natuurlijk weer verkeerd, het was zoo niet bedoeld, maar dan zouden wij toch gaarne eens willen weten hoeveel vloeiblaadjes mijnheer de inspecteur hier en een nationaal socialistische inspecteur elders gesleten heeft.

Nu hangt de toekomst van onjze jeugd weliswaar niet af van vloeiblaadjes met de Germaansche namen van de maanden, maar wel voor een groot deel van de mannen, die ons inspectieapparaat vormen. Daarom schrijven wij over zoo’n kinderachtig gevalletje. Het teekent 'hier den man. Onze jeugd vraagt in deze groote tijden geen leiding van kleine menschen, doch van mannen van formaat. Geeii mannetjes, klein van inzicht, misschien met vele bevoegd heden, doch die den nieuwen tijd door middel .van kleine venijnigheidjes meenen tegen te kunnen houden. Neen, de jeugd wil kerels van karakter, nationaal socialisten! H.

DE VINGER OP DE WONDE

In een vorig artikel behandelden wij in dit blad het zoogenaamde bewaarschoolonderwijs; thans zullen we het lager onderwijs wat nader bekijken. Het wordt geregeld bij de wet van 9 October 1920, welke door minder belangrijke wetten vele malen is gewijzigd. Volgens artikel 5 lid 1 worden de scholen in twee soorten verdeeld, n.l. openbare, welke opgericht en onderhouden worden door het Rijk of de gemeenten, en bijzondere, waartoe alle andere behooren. Dat zijn in hoofdzaak scholen welke opgericht zijn en in stand gehouden worden door kerkelijke schoolbesturen. Ongetwijfeld zal het de bedoeling van de Wet van 1920 geweest zijn, om het bijzonder onderwijs evenveel rechten te geven als het openbaar onderwijs, om een einde te maken aan de financiëele achterstelling van de bijzondere school, om een einde te maken aan een jarenlangen politieken strijd. Wij zullen trachten de volgende vraag zoo objectief mogelijk te beantwoor-

den: Heeft men werkelijk de gewenschte gelijkstelling tusschen openbaar en bijzonder onderwijs verkregen? Is de pacificatie tot stand gekomen? Zoo neen, welke artikelen zijn er aan te wijzen, die een ongelijke, dus onbillijke behandeling van één der soorten van onderwijs veroorzaken; welke wetsinterpretaties hebben schade gedaan aan de gelijkstelling: welke wetswijzigingen en besluiten leidden na 1920 tot hetzelfde gevolg. Het is dus niet onze bedoeling om propaganda te maken voor of tegen één van de beide scholen; ook wenschen we geen critiek te leveren op het huidige onderwijsstelsel; wij leggen slechts den vinger op de wonde plekken en laten aan anderen over om naar de geneeswijze en de geneesmiddelen te zoeken.

Art. 19 van de Lager Onderwijswet 1920 luidt: Al. I. In elke gemeente wordt voldoende lager onder-