is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 33, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VINGER OP DE WONDE

Een schrijnende wond is dat gesloten schooltje in het kleine dorp. Vele jaren hebben de kinderen uit alle gezinnen er school gegaan. Het was de plaats, waar ze opgeleid werden voor hun taak in de dorpsgemeenschap. De meester en de juffrouv/ konden dat. want zij zelf leidtjen die dorpsgemeenschap mee.

Dat het een werkelijke gemeenschap is in het dorpje, is meer dan eens gebleken.

Als in zeker voorjaar een van de kleine boertjes, „gardeniers” heeten ze daar, ziek wordt, zoodat hij zijn akkers niet bewerken kan voor de vroege aardappels, dan zeggen de dorpsgenooten op een Zaterdagmorgen tegen elkaar: dat kan zoo niet langer, daar moeten wij wat aan doen. En ze nemen hun spaden en ze spitten dien man zijn akkers samen om.

Als ze daarna thuiskomen, dan zeggen ze niet: wat staat de gemeenschapszin in ons dorp hoog, maar ze zeggen eenvoudig tegen hun vrouwen (en hun kinderen hooren dat!): dat land kon daar toch niet zoo blijven liggen.

Als het kermis is, dan wordt de jaarlijksche kaatspartij gehouden. Het terrein moet uitgezet, de lijnen gelegd. Alle mannen verschijnen Zondagmorgen ongevraagd op het terrein, de timmerman komt ook ongevraagd met het materiaal en in een paar uur is de boel klaar. Men zegt dan weer niet: wat is hier de samenwerking toch groot, maar eenvoudig: het hoort zoo!

Zoo zou er meer te noemen zijn. Ik zal het niet doen, want het dorpje zou dat niet aangenaam vinden. En werkelijk, heiligen zijn de inwoners ook lang niet. Het zijn maar eenvoudige werkers op hun klein lapje vruchtbaren kleigrond. Het dorpje heeft zelfs een groot gebrek. Het heeft een aardig kerkje, maar als er twintig menschen inkomen op een Zondag, dan zeggen ze: flink volk in de kerk. En dat is een groot gebrek, want nu had dat kerkje geen dominee, die wat in de melk te brokken had‘ Ja wel bij de menschen van het dorp hoor! Hij had zelfs’ grooten invloed. Maar dien invloed had hij, omdat hij ~zoo n aardige man” was. Hij kwam bij alle menschen

thuis en menige moeilijkheid loste hij mee' op. Dat samen spitten was misschien ook wel mee van hem uitgegaan. Maar verder, nee het was treurig, Kermis-Zondag werd er maar geen kerk gehouden, want dan begon het kaatsen om tien uur en dan kwam er toch geen mensch. Zoo’n kerk is naar buiten uit natuurlijk niets waard. Zoo’n dominee had er ook geen behoefte aan om zélf een schooltje te hebben. Hij vond, dat dit dorpsschooltje het wel goed deed.

rEn dus, toen de eigenlijke kerk op de proppen kwam en haar lievelingszoon Marchant aan het bezuinigen zette, toen moest dit gemeenschapsschooltje verdwijnen, dat sprak vanzelf! Andere, evengroote dorpjes mochten wel twee schooltjes houden, .r.aar dat waren ook geen schooltjes, die aan een dorpsgemeenschap behoorden. Die hoorden aan dominee’s die wél volk in de kerk kregen. Dat waren schooltjes, die daar stonden als symbolen der heilige Nederlandsche tweedracht!

Het schooltje van de dorpsgemeenschap is nu een bewaarplaats voor poters geworden. Dat is zoo gek nog niet, want na de kinderen komen bij dé gardeniers al zeer spoedig de poters, waarvan zij leven.

Maar die stapels aardappelbakken, die men door de ramen heen ziet inplaats van de fleurige wandplaten ze maken dit schooltje tot een schrijnende wonde in de Nederlandsche gemeenschap. Een volk, dat zoo 'weinig eerbied voor die hechte kleine kernen van Germaanschen gemeenschapszin had moest wel hopeloos verstrikt raken in onderlingen haat. Uit dit kleine dorpje wordt de jeugd nu naar een ander, grooter dorp gestuurd, waar keus is van scholen. Nog houden de dorpsbewoners vast aan hun eigen gemeenschap, maar zeker zal ook daar de tijd komen, dat men begint te kiezen. En dan is ook deze kleine phase in ons versplinterd volk verloren. En als er dan een gardenier ziek ligt, dan zal men eerst vragen: naar welke kerk gaat hij en zijn land blijft braak liggen.

Kameraden, wat hebben we nog veel te doen!

J. FABER

STEMMEN UIT HET GILDE

HET IS DE HOOGSTE TIJD!

De laatste artikelen in ons weekblad zijn bezield van een strijdlustigen geest en ongetwijfeld zullen zij onze collega’s als muziek in de ooren hebben geklonken. Ook ik heb verwonderd opgeblikt en mij met een ruk in mijn stoel schrap gezet. Voor het eerst sedert het verschijnen van ons blad werd het werkelijk interessant voor mij en voor velen mijner collega’s!

Wij zijn revolutionnair en wij willen dien revolutionnairen geest uitdragen. Wij snakken naar den strijd, naar opbouwenden strijd, doch ~ , wij willen tevens weten, dat wij daarin niet alleen staan. Wij hebben de Nederlandsche jeugd naar den bliksem zien gaan, al die jaren na 1940. Wij hebben in machtelooze woede aan moeten zien, hoe velen onzer collega’s werden weggepest (excuseer mij dit woord) door leerlingen en hoofden en directeuren van scholen. Wij hebben het beleefd, dat na 1940 tal van collega s moesten toezien hoe zij aan een functie kwamen en, wanneer zij deze dan al kregen, zich in hun bestaan zagen bedreigd.

Wij hebben gewaapchuwd en nogmaals gewaarschuwd. Doch wij hadden niets te zeggen, want wij hadden de macht niet in handen, al dachten onze tegenstanders dit

Tenslotte is dan de kruik gebroken! Er vonden moorden plaats, óók op de leden van ons gilde. En toen het kalf eenmaal verdronken was, verschenen de roepstemmen in ons blad, schreeuwend om maatregelen tegen jeugd en volksmisleiders.

Ik cnderstreep ten volle, hetgeen kameraad Janssen in ons weekblad d.d. 20 Slachtmaand zegt in zijn artikel: „Het gilde eischt”. Maar wat hij wil is nog lang niet vol-

doende. diep, diep in het rotte vleesch worden gesneden. Er moeten DADEN komen, het moet niet bij woorden blijven. Men moet beseffen, dat ons geduld ten einde is en dat wij in machtelooze woede hebben gezien, hoe wij aan beide handen en voeten waren gebonden j: J. T..i ,

En dan dient men dit te beseffen. Ik mag wel zeggen, dat de meesten onzer door ons vak een zoodanig plichtsbesef en verantwoordelijkheidsgevoel hebben gekregen, dat men ons wat kan overlaten. Waarom dan ons niet dé gelegenheid gegund, deze verantwoordelijkheid geheel op ons te nemen?

Moeten wij nog langer toestaan, dat handige, geslepen hoofden van lagere en middelbare scholen met ons hun spel spelen? Wij eischen dat zij worden afgezet en vervangen door nationaal-socialistische krachten. Men werpe ons niet voor de voeten, dat wij er de mannen niet voor hebben. Wij hebben ze, bij tientallen.

De huidige opvoedingsmethoden berusterf nog steeds hoofdzakelijk op het principe van het humanisme. Algerneene waarden, die onontbeerlijk zijn voor het kind en zijn toekomst spelen daarbij geen rol. Integendeel! Onze collega s anti’s zijn erop uit, om zich populair te maken bij kinderen en ouders, door hun bekrompen kruideniersgepraat. Wij zien eigenaardig genoeg, dat dé opvoedende waarde van dit onderwijs heeft plaats gemaakt voor een negatieve, die berust op de sanctie der leerlingen!

Wij nationaal-socialisten zijn zacht opgetreden tegenover leerlingen en leeraren. Wij hebben slechts dan ingegrepen, wanneer het te erg werd. En dan nog konden wij niet altijd ingrijpen. Getuige de velen, die het niet volhielden en weg werden gewerkt. Ik heb deze wijze van optreden