is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1943, no 40, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch en den ongebonden mensch zal beslissend zün voor de toekomst van het natlonaal-socialisme en tevens voor onze toekomstige opvoeding.

De onderwijzer in de toekomst zal dienen te zijn een gebonden mensch, hij moet benaderen het uit het bloed en ras voortspruitende ideale beeld van den Noordgermaanschen mensch, dan zal hij weerklank vinden bij de jeugd. Daarom meet hij tegenover de Schepping staan als „wezen” en niet ~wezenloos”. Dan zal de jeugd, zooals Goethe reeds zei „Ehrfurcht” hebben voor zijn opvoeder. Kortom, de onderwijzer van thans moet tot revolutionnair worden. Niet iedereen zal in de toekomst geschikt zijn voor deze belangrijke taak van jeugdcpvceder en daarom zal het de taak dienen te worden van de besten in ons volk. Willen we dus vernieuwing van ons onderwijs, dan moet worden begonnen met de opleiding der leerkrachten. Deze dient in geheel nieuwe banen te worden geleid.

En de leerkrachten aan deze opleidingsscholen? Op hen rust een zeer groote verantwoordelijkheid! Ook zij moeten op hun beurt als voorbeeld werken en hier geldt bovenal: de rechte man op de rechte plaats.

Wat onze scholen tot dusver missen, dat is de „idee”. Het zijn onderwijsinstellingen, waar opgevoed wordt tot universeele menschen en zoolang deze toestand blijft voortbestaan, kan van een vruchtdragende vernieuwing geen sprake zijn. De kweekscholen dienen de toekomstige leerkrachten te vormen tot Germaansche opvoeders, een scherpe selectie zal gedurende de oioleiding moeten plaats vinden. Wanneer onze scholen eenmaal dergelijke leerkrachten bezitten, zal met vrucht vernieuwing kunnen intreden. Deze vernieuwing zal bouwen op ras en bloed en met deze idee als fundament zullen we een richtsnoer hebben, die ons den te volgen weg bij de verandering der didactiek en methodiek zal wijzen.

BOERENVOLK VAN GRONINGEN

Wil men de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen in klei-Groningerland het land van de grootste tegenstellingen tusschen „dikke” boeren en een geproletariseerde arbeidersbevolking goed begrijpen, dan dient men de geschiedenis van dit land na te vorschen.

Oorspronkelijk was dit land een. veeteeltland, doch door de veepest in de 17e en 18e eeuw gingen gansche veestallen voor de boeren verloren en werden ze tot de grootste armoede gebracht. Dientengevolge werden ze door den nood gedwongen hun landerijen om te zetten in bouwland, wat hun geen windeieren heeft gelegd. Door de groote stijging der graanprijzen werd in de periode 1775—1815 de Groninger boer cmgevormd van een hard werkenden, in sleur voortlevenden landbewerker tot een gezeten heereboer, terwijl de geest der Fransche revolutie haar stempel heeft gedrukt op het denken. De boer werkte nu slechts bij uitzondering mee op het land en beperkte zich tot de leiding van het bedrijf. Het gevolg hiervan was, dat het persoonlijk contact met zijn arbeiders meer en meer verloren ging.

Door den grooteren zegen van aardsche goederen veranderde langzamerhand ook de levenswijze. Grootere eischen werden gesteld aan de woning en de villaboerderij ontstond. De kloof tusschen den boer en de massa werd steeds grooter. De levensgewoonten van den heereboer en de arbeiders weken steeds meer van elkaar af.

Wie het commissierapport van 1851 leest, bemerkt, dat het met de zeden van de arbeidersjeugd treurig gesteld \yas. Met spel en drank werden de Zaterdagavonden en Zondagen doorgebracht in de talrijke dorpskroegen en

het is verwonderlijk, dat deze menschen, wanneer ze later getrouwd waren, behoorlijke leden van de maatschappij werden in al hun armoede en ellende. De kern, was echter goed en het is geen wonder, dat juist in deze streken de klassenstrijd in zijn felste vormen tot uiting kwam.

Het bovengenoemd rapport van 1851 maakte den boeren verwijten, die lang niet malsch waren. De commissie was van oordeel, „dat de diepste grond van de gezonkenheid der lagere standen, van hun verdierlijking, te zoeken is in hun maatschappelijke verwaarloozing. Menig landbouwer beschouwt inderdaad zijn dienstknecht of dienstmaagd met geen ander oog, als waarmede hij zijn ploegpaard aanschouwt of heeft er zelfs nog minder hart voor”.

Deze heereboer is te veel kapitalistisch gaan denken, terwijl de arbeider te zeer is verstrikt in de beloften, hem gedaan door degenen, die den klassenstrijd predikten.

De leefwijze van den heereboer is af geweken van de natuurlijke evolutie van zijn voorvaderen en is onder invloed gekomen van de wancultuur der 20ste eeuw. Ook in de bouwwijze van de moderne boerderijen komt tot uiting, dat men het cultuurlooze tijdperk was genaderd (zie foto’s).

Met Dr. Hofstee kunnen we zeggen, dat de verburgerlijking van de boeren en de proletariseering van de arbeiders tengevolge heeft gehad, dat practisch alles, wat er aan oude zeden en gebruiken heeft bestaan, is verdwenen.

Voor het nationaal-socialisme is hier een groote taak

foto archief

Wat de 20ste eeuw van een boerderij heeft gemaakt.