is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 3, 1944, no 49, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nogmaals, zou men van dlè jeugd nog eenig retvolutionnair élan mo'gen verwadhten, |zou men van dlè jeugd mogen hopen, dat zij vol idealisme zou grijpen naar (bet verhevene en nieuwe? Néén, deze jeugd haat en vervloekt elk gezag, zoowel van de ouders als van den staat.

iEn dit nu is het fatale in onze dagen, dat deze uitzinnigheid der jeugd nog door vele ouderen, ouders, ouderlingen en leeraren, w'ordt aangemoedigd, dat zij die jeugd misbruiken, om hun eigen verloopen humanisme te bestendigen. Arme jeugd, zij moet boeten voor die ouderen!

Uit Alg. Handelblad.

HET „JEUGDVRAAGSTUK”

In ons vorig artikel behandelden wij de positie van de jeugd als geheel. De opvoeding in gezin, school en kerk is niet voldoende, zoo werd door ons betoogd en gemotiveehd; de Staat moet optreden als aanvullend' en vooral als overkoepelend orgaan met als speciale taak, de opvoeding tot gemeensohapismensdhen.

Wij willen thans eens onze aandacht bepalen bij' eenige organisaties op het gebied van de jeugd, die door hun streven in het middelpunt van de publieke belangstelling zijn komen te staan. Bedoeld zijn de Voortrekkers van de N.J.H.C., de Landjeugd en het jeugdgroepenwerk van het Arbeidsgebied Jeugd van het Nederlanldsoh Arbeidsfront. Deze drie organisaties zijn den laatsten tijd vooral door de pers tegen wil en dank bespro'ken en becritiseerd.

Voorop dient dan gesteld, dat het onjuist is het streven van deze organiteaties op één lijn te stellen met dat van den Jeugdstorm. Terwijl de laatste de jeugd wil leiden in den meest algemeenen zin volgens het beginsel van 'vaderlandsliefde eni Godsvertrouwen, is het werk van de genoemde organisaties gericht op de ontwikkeling van bepaalde eigenschappen in het eerste geval op geestelijke en oultureele vorming, in het geval van de Landjeugd en op technische scholing en sociale verheffing van de werkende jeugd voor zoover het het Arbeidsgebied Jeugd van het Arbeidsfront betreft. Ook een vergelijkinjg met de overleden jeugdvereenigingen van vóór den oorlog gaat niet cip. Geen der drie genoemde groepeerinigen bepaalt zich namelijk in haar werk tot een bepaalde groep. Immers de Voortrekkers willen leiders kweeken uit alle jongeren die Ihun hart hebben verpand aan het buitenleven en zij maken geen enkel ondersdhëïd tusschen stad en land, hoogen laaggeborenen, rijk en arm of wat dan ook. De Landjeugd ridht zich via de boerenjongeren tot de geheele Nederlandsche j.eugd, die ze wil doordringen van een echten Nederlandsohen, dus boerengeest en het Arbeidsgebied Jeugd maakt ook geen uitzonderingen voor uitblinkers boven eenvoudige harde werkers.

Alle drie nemen zij . positief stelling tegen de slechte invloeden tegen gemak- en genotzucht, tegen verslapping en leeglooperij. Hun streven steunt dus het werk van den Jeugdstorm, oOk al staat dit niet in hun vaandel geschreven. Het bestaan van deze organisaties moet gezien worden

in het licht van de omstandigheid, dat in ons land de opvoeding van de jeugd nog geen staatszaak is. Het op zichzelf verdienstelijke werk van de aparte organisaties diende qpgenomen te Worden in een grooter verband, waarbij vanzelfsprekend het technische deel, dat ondergebracht

behoort te worden bij Landstanld en Arbeidsfront uitgezondefd moet worden.

Het is dan ook een veiheugend verschijnsel, dat de leiding van de besproken organisaties voor een belangrijk deel bij kaderleden van den Jeugdstorm berust. Het is werkelijk niet zoo verschrikkélijk, dat sommige jongeren in deze formaties „onderduiken”, omdat zij zidh nog niet radicaal voor de Nieuwe Orde durven bekennen. Hun medewerking bewijst hun bewustzijn van verantwoordelijkheid voor de toekomst |van ons volk en dat is zeker het voornaamste. Het mag als vaststaand worden aangenomen, dat een andere houdirïg van hun omgeving de aarzelaars tot positivisten maakt. Immers het is niet aannemelijk, dat Nederlandsohe jongeren zidh uitsluitend uit ethische motieven zouden gaan uitsloven voor dit werk.

Een veel moeilijker categorie dan die der aarzelaars is echter die der chauvinisten, de jongelui, die meenen, dat ■Voortrekkers, Landjeugd en Arbeidsfrontjeugd, als we ’t kortweg eens zoo mogen noemen, er zijn om een nieuw muurtje te bouwen om een bepaalde groep jongens en meisjes. Zij hebben het streven niet begrei>en, zij bouwen niet mee, doch moeten gevormd worden. Dit moge de leiding terdege beseffen!

Al moet nu worden vastgeSteld, dat de leden van de organisaties, die wij in dit artikel bespreken, niet allen deelnemen aan het werk van den Jeugdstorm, het is een gelukkig overigens natuurlijk verschijnsel, dat het andersom wel het geval is. Op de stormers in deze organisaties rust de taak door hun voorbeeld de anderen te prikkelen tot een kennismaking met het werk van den Nationale Jeugdstorm. Als de buitenstaanders zoo ver zijn, komt de rest vanzelf.

(Uit: Het Nat. Dagblad)

HET IDEE

Het werd mü als waar gebeurd dezer dagen verteld. Een onderwijzer ergens in onze lieve provincie verwachtte in zijn woning bezoek van den ooievaar en de kinderen van zjjn klas werden bij die gelegenheid uitgenoodigd elk een schepje suiker mee te brengen voor het aanbieden van een taart, laten we maar zeggen aan den ooievaar. De mama’s van de kinderen streken hun hand over het hart en staken den lepel in den suikerpot. Het plan slaagde.

En de onderwijzer in kwestie, die thpns spoedig verjaart, heeft den smaak van de suiker en zijn goedmoedige list zóó beetgekregen, dat hij nu zyn klassekinderen verzocht heeft, elk ter gelegenheid van zijn verjaardag een

sigaret mee te brengen!

Ik weet niet hoe de papa’s handelen, of zij ook hun hand over het hart strijken of die hand stijf op hun sigarettenkoker houden. Maar in elk geval geef ik het idee ter overweging aan directeuren van middelbare scholen en dergelijke. Wanneer zij dan geen zin meer hebben in het onderwijs, wel dan kunnen zij wanneer de Vestigingswet een handje meehelpt goedkoop een tabakshandeltje beginnen.

Die oolijke onderwijzer toch! Als de geschiedenis niet waar is, is zij in elk geval toch goed gevonden.

(Uit: „Dagblad voor Noord-Holland”) OVIDIUS

.ONDERWIJZERS-=3DAADBANKS- Ingelegd kapitaal ruim ƒ 13.000.CXX).—. Reserve kapitaal ruim ƒ 1.800.000.—. I Rente over 1944 ; 3 pCt. Als deelnemers kunnen toetreden allen, die bevoegdheid hebben tot het geven van onderwijs, hunne kinderen en inwonende familieleden, benevens instellingen tot het onderwijs in betrekking staande. Inlichtingen kosteloos te bekomen Vondelstraat 16, Amsterdam i' Opgericht door het Nederlandsen r. i j- * oooc Onderwijzers-Genootschap in 1848 GemeGDt© Giro O 1811. PostcnGqu© ©n Giroaiensf