is toegevoegd aan uw favorieten.

Opvoeding in volkschen geest; maandblad van het Opvoedersgilde, jrg 2, 1942, no 5, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Opvoedersgilde in den aether!

De Natuurkunde.

Radiorede door kam. Dr. H. Petersen op 16 Bloeimaand 1942.

Luisterende Volksgenooten.

De natuurkunde of physica, zoc als zij veeltijds genoemd wordt, i een wetenschap, w Ike, zooals hac naam aangeeft, zich bezig houc niet de natuur. Men meene echte niet, dat dit onderwerp, de Natuu dus, in haar volledige uitgestrekl heid geacht wordt te behooren tc het studiegebied der natuurkunde Zooals trouwens in vele boeken ii aangegeven, behandelt de natuur kunde slechts de levenlooze Natuur door welke omschrijving dus he planten- en dierenrijk van haar be moeienis is uitgesloten. Zoo gemak kelijk als het lijkt, om aan deze zijde het gebied der natuurkunde te begrenzen, zoo moeilijk is het tevens om de grenzen der natuurkunde aan andere zijden vast te leggen en wel met betrekking tol de scheikunde, tot de mechanica oi werktuigkunde en tot de cosmo- Ook deze wetenschappen zijn nl. gericht op de levenlooze Natuur en het kan dan ook niet uitblljven, dat juist dóór die groote verwantschap, welke tusschen de natuurkunde eenerzijds en de scheikunde, mechanica en cosmografie anderzijds bestaan, er vele gebieden aan te wijzen zijn, welke nu eens tot de ééne en dan weer tot de andere wetenschap gerekend kunnen worden. Van een eigenlijke begrenzing is hier dan ook geen sprake, doch men kan beter zeggen, dat de mechanica, de scheikunde en de cosmografie eigenlijk slechts onderdeelen der natuurkunde zijn, die wegens hun belangrijkheid tot zelfstandige wetenschappen zijn uitgegroeid.

iNu nier toch eenmaal over de indeeling gesproken wordt, mag er aan herinnerd worden, dat ook de natuurkunde zelve, gewoonlijk onderverdeeld wordt in verschillende hoofdstukken, t.w. de leer van de warmte, van het geluid, van het licht, van het magnetisme en van de electriciteit.

Deze in vrijwel alle leerboeken gehandhaafde indeeling, berust ten deele op het eenvoudige feit, dat wij de kennis van de natuur, ten minste in allereersten aanleg, door onze zintuigen verkrijgen. Het tast-

gevoel weet immers te onderscheiden tusschen „warm" en „koud" het oog tusschen „licht" en „donker , terwijl ons gehoor zoowel „toonsterkte" als „toonhoogte" kent. De electriciteit en het magnetisme xiGhben echter, wegens de veelsoortigheid der verschijnselen, een apart gebied gevormd.

Deze voorloopige indeeling, welke U tevens de onderwerpen deed kennen, waarop de studie der natuurkunde gericht is, mag echter in geen geval tot een blijvende verdeeldheid voeren. Het is immers steeds hetzelfde en grootsche bouwwerk der Natuur, dat men nu eens van deze, dan weer van gene zijde benadert. Het mag dan ook steeds als een ideaal van de natuurkundestudie blijven vooropstaan, dat het den beoefenaren tenslotte vergund zij, om een blik te werpen in dezen samenhang der verschijnselen, in de totaliteit der Natuur, voor zoover die tenminste voor ons toegankelijk is, doch welke ons steeds met eerbied en bewondering behoort te vervullen. Deze opgave is tegelijkertijd de ideale doelstelling en daarvoor tevens, de adelbrief van het onderwijs in de natuurwetenschap. Dit moge dan de vormende waarde van het natuurkunde-onderwijs zijn, dat echter tevens een andere, meer de practijk toegewende zijde bezit:

Hoe gering namelijk de kennis der natuurkrachten ook zij, toch heeft deze kennis ons reeds in staat gesteld, om die krachten aan onzen w-il te onderwerpen en in onzen dienst te stellen. De vele voorbeelden, die men uit de practijk kent, en die tegenwoordig welhaast als vanzelfsprekend aanvaard worden, berusten op de toepassing van krachten, welke de natuurkunde ons heeft leeren kennen. Deze sterk verspreide ~technische" toepassing der natuurkunde, is eveneens van richtingaevenden invloed op het natuurkunde-onderwijs.

Het zal U, luisteraars, dan ook wel duidelijk zijn, dat de natuurkunde met haar vele, technische toepassinaen, in het algemeen de belangstelling van de jeugd geniet. De opvoeders van de jeugd zullen dan ook in den komenden staat er

op bedacht moeten wezen, om bij de keuze der leerstof rekening te houden met die belangstelling en, natuurlijk ook, met het bevattingsvermogen der leerlingen.

Zeer vaak wordt de natuurkunde in één adem met de wiskunde genoemd: men spreekt immers veelal van wis- en natuurkunde. Ondanks dit bondgenootschap, waarop straks nog nader zal worden teruggekomen, is de waarde der natuurkunde voor het menschelijk denken, en dus ook voor de opvoeding, een andere dan die der wiskunde. Deze laatste, de wiskunde, doet vóórtdurend een beroep op ons logisch denken en is daarvoor dus als een bijzondere oefenschool aan te merken. Ook bij de natuurkunde kan zulk een logisch denken allerminst ontbeerd worden, doch daarnaast, of beter gezegd daarvóór, is een zekere mate van ~Vindingrijkheid" noodig. Men heeft in de Natuur dikwijls met verschillende verschijnselen te doen, welke echter gelijktijdig optreden. Bij het vemchten van proeven, het doen van onderzoekingen enz., is het ons gewoonlijk slechts om één dier verschijnselen te doen, dat wij meer in het bijzonder willen waarnemen en, zoo mogelijk, verklaren. Het gaat er dus om, dit ééne verschijnsel a.h.w. van de overige te isoleeren, de gunstigste voorwaarden voor zijn optreden te scheppen, waardoor een willekeurige herhaling mogelijk wordt en het zoo goed mogelijk kan worden waargenomen. Daarna, doch ook pas daarna, kunnen wij de noodige gevolgtrekkingen uit onze proeven maken en een verklaring van dat verschijnsel geven, waarbij ongetwijfeld de logica aan de beurt komt. r

Een heel eenvoudig en bekend f verschijnsel is wel het feit, dat de T oppervlakte van een vloeistof lood- j recht op de richting der zwaartekracht staat. Dit verschijnsel kan f echter om zoo te zeggen „vertroe- ] beid" worden door een tweede, dat f zich voordoet bij de wanden van het | vat, waarin zich de vloeistof be-ƒ vindt. Men neemt daar namelijk# waar, dat het vloeistofoppervlala iuist bij die wanden, een geboge* vorm heeft, wat door de z.g. capijf. ariteit veroorzaakt wordt. Wil dus het loodrecht op de richttog der zwaartekracht staan vloeistofoppervlakte aantoc/nen, dan dient men zich te hoedenTvoor iet aebruik van te nauwe ,Vaten. Daarin zou namelijk het geheele